De menswording des Woords
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
De incarnatione Verbi
De menswording des Woords
Athanasius van Alexandrië
373
Kerkelijke schrijvers - Boeken
1949, Uitgeversmaatschappij Holland, Amsterdam
Verschenen in Klassieken der Kerk, Eerste Reeks De vroege Kerk, Deel 4
Datering van dit boekje is volkomen onduidelijk
Vert. uit het Grieks
De oorspronkelijke spelling van de Nederlandstalige uitgave is gehandhaafd.
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
Datering van dit boekje is volkomen onduidelijk
Vert. uit het Grieks
De oorspronkelijke spelling van de Nederlandstalige uitgave is gehandhaafd.
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
1949
Dr. H. Berkhof
11 juni 2026
948
nl
Referenties naar dit document: 5
Open uitgebreid overzichtReferenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
Uitklappen
- 1. HET THEMA VAN HET BOEK
In het voorgaande N.v.d.v.:Bedoeld is het werk 'Tegen de Heidenen', waarop 'de Mens wording' het vervolg is. Zie de inleiding.[[1196]] hebben we genoegzaam enkele dingen, zij 't ook weinige uit vele, behandeld, nl. de dwaling der heidenen aangaande de afgoden en hun daemonengeloof, hoe hun streven van den beginne is geweest, dat uit boosheid de mensen zich den af godendienst hebben uitgedacht. Maar door de genade Gods hebben we ook enkele dingen besproken betreffende de Goddelijkheid van het Woord des Vaders en zijn voorzorg en macht die over alles gaat en dat de goede Vader het al door Hem regeert en alles door Hem beweging en leven ontvangt. Welnu, Gelukzalige en ware Christus-vriend, laat ons in overeenstemming met het godvruchtig geloof, ook de menswording des Woords bespreken en over zijn goddelijke verschijning onder ons handelen welke de Joden lasteren en de Grieken bespotten maar wij aanbidden opdat juist wegens den eenvoud des Woords in zijn uiterlijke verschijning, de godsvrucht die gij jegens Hem koestert, nog groter en meerder zij. Want hoe meer Hij door de ongelovigen bespot wordt, des te groter is het getuigenis dat Hij aflegt van zijn goddelijkheid. Want wat de mensen als onmogelijk niet begrijpen, dat betoont Hij als mogelijk; en wat de mensen als ongepast bespotten, dat bewijst Hij in zijn goedheid als gepast; en wat de mensen in hun eigenwijsheid als menselijk belachen, dat betoont Hij door zijn kracht als goddelijk, daar Hij enerzijds den schonen schijn der af goden door zijn schijnbare nederigheid aan het kruis vernietigt en andererzijds ongemerkt de spotters en ongelovigen overtuigt, zodat ze zijn goddelijkheid en macht erkennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOm deze dingen te kunnen bespreken, moeten we het vroeger gezegde in herinnering brengen, opdat ge ook de oorzaak zoudt kunnen verstaan der verschijning in het lichaam van dat zo grote en zo verheven Woord des Vaders en opdat ge niet gelooft dat de Heiland krachtens zijn natuur een lichaam heeft gedragen maar dat Hij, hoewel Hij van nature onlichamelijk is en als het Woord bestaat, toch om de liefde en goedheid zijns Vaders, zich tot onze redding aan ons in een menselijk lichaam heeft geopenbaard. Als we dit willen behandelen, is het goed eerst te spreken over de schepping aller dingen en over God den bouwheer dier schepping, opdat men zo op de juiste wijze kan inzien, hoe de vernieuwing dier schepping heeft plaatsgehad door het Woord dat haar in den beginne heeft geschapen. Want het zal volstrekt niet tegenstrijdig schijnen, zo de Vader in Hem, door wien Hij haar geschapen heeft, ook haar redding heeft bewerkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 2. DWALINGEN AANGAANDE DE SCHEPPING
De totstandkoming der wereld en de schepping aller dingen hebben velen op verschillende wijze opgevat, en ieder heeft haar zo omschreven als hij wilde. Want sommigen zeggen dat alles vanzelf en door toeval is ontstaan, zoals de Epicureérs N.v.d.v.: Genoemd naar den...N.v.d.v.: Genoemd naar den wijsgeer Epicurus (± 3oo v. C.), die de wereld als een toevallige combinatie van atomen wilde verklaren., die ook fabelen dat de voorzienigheid over alles, huns inziens, niet bestaat, waarmee ze het duidelijk zichtbare en waarneembare regelrecht tegenspreken. Want indien, volgens hen, alles vanzelf zonder voorzienigheid is ontstaan, moest alles op enerlei wijze zijn ontstaan en gelijk zijn en niet verschillend. Want dan moest alles, als in éen lichaam, zon of maan zijn en bij de mensen moest het geheel hand of oog of voet zijn. Nu is dat echter niet het geval, maar wij zien dat het éne zon, het andere maan, het derde aarde is; en ook bij de menselijke lichamen het éne voet, het andere hand, het derde hoofd. Zulk een ordening toont, dat deze dingen niet vanzelf zijn ontstaan maar bewijst, dat er een oorzaak is voorafgegaan, waaruit we ook God kunnen kennen, die alles heeft geordend en gemaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAnderen, onder wie ook de bij de Grieken grote Plato, beweren dat God het al heeft gemaakt uit reeds voorhanden en ongeworden materie. Want, zeggen ze, God zou niets kunnen maken, als er geen materie voorhanden was; zoals ook de timmerman het hout voorhanden moet hebben om een werkstuk te kunnen maken. Zij die dat zeggen, weten niet dat ze God zwakheid toedichten. Wanneer Hij immers niet zelf de oorzaak der materie is maar alles uitsluitend uit voorhanden materie maakt, wordt Hij zwak bevonden, daar Hij geen der geschapen dingen zonder de materie tot stand kan brengen; evenals het ongetwijfeld ook een zwakheid van den timmerman is, dat hij geen der noodzakelijke dingen zonder de houtmaterialen tot stand kan brengen. En immers, als we dit veronderstellen, zou God niets tot stand hebben gebracht, als er geen materie was geweest. Hoe zou Hij dan nog maker en schepper kunnen worden genoemd, als Hij de mogelijkheid tot scheppen aan iets anders heeft ontleend, namelijk aan de materie? Als het zo is, kan God volgens hen alleen bewerker, niet schepper van het zijnde wezen, als Hij de voorhanden materie bewerkt maar niet zelf de oorzaak der materie is. Kortom, Hij zou geen schepper kunnen worden genoemd, wanneer Hij niet de materie schept, waaruit het geschapene Is ontstaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe ketters denken zich een anderen schepper van alles uit, dan den Vader van onzen Here Jezus Christus N.v.d.v.: Men moet hierbij...N.v.d.v.: Men moet hierbij denken aan de Gnostieken, Marcion en de Manicheërs, die terwillen van het kwade in de wereld, de schepping aan een lageren God of een tegen-God meenden te moeten toeschrijven.; maar ze tonen zich als blinden in hun beweringen. Want als de Heer tot de Joden zegt: 'Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne de mensen gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot éen vlees zijn'; en wanneer Hij vervolgens den schepper aanduidt met de woorden: 'Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet' (Mt. 19, 4-6)[b:Mt. 19, 4-6] hoe beweren zij dan, dat de Vader met de schepping niets te maken heeft? Wanneer, volgens de alles samenvattende uitspraak van Johannes, 'alle dingen door Hem zijn gemaakt en zonder Hem geen ding is gemaakt' (Joh. 1, 3)[b:Joh. 1, 3], hoe zou de schepper dan een ander kunnen zijn dan de Vader van Christus?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 3. DE SCHEPPING EN DE MENS
Die dingen fabelen genen. Maar de goddelijke onderwijzing en het christelijke geloof verwerpen hun ijdel gepraat als goddeloosheid. Want het weet, dat het al niet vanzelf is ontstaan, daar het niet van de zorg der Voorzienigheid is verstoken en dat het ook niet uit voorhanden materie is gemaakt, daar God niet zwak is; maar dat God het uit het niets en het volstrekte niet-bestaan in het aanzijn heeft geroepen door het Woord, gelijk de onderwijzing door Mozes spreekt: 'In den beginne schiep God den hemel en de aarde' (Gen. 1, 1)[b:Gen. 1, 1] en door het zeer nuttige boek van den Herder: 'Geloof vóor alle dingen, dat er éen God is, die alles geschapen en toebereid heeft, en uit het niets tot het bestaan heeft gebracht'. N.v.d.v.: Dit staat in den...N.v.d.v.: Dit staat in den 'Herder van Hermas' (Pastor Hermae IL, 1), een veelgelezen christelijk geschrift uit de tweede eeuw. Het is zelfs in sommige streken een tijdlang als kanoniek beschouwd, echter niet door Athanasius Dat duidt ook Paulus aldus aan: 'Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden' (Hebr. 1, 3)[b:Hebr. 1, 3]. Want God is goed; ja meer, Hij is de bron van alle goed. De goede is jegens niets af gunstig. Daarom heeft Hij aan niets het bestaan misgund maar alles uit het niets geschapen door zijn Woord, onzen Here Jezus Christus. Onder dit alles heeft Hij boven al wat op aarde is, medelijden gehad met het menselijke geslacht. Hij zag immers, dat dit krachtens zijn oorsprong en natuur niet in staat zou zijn om altijd te blijven leven. Daarom schiep Hij de mensen zó, dat Hij hun iets hogers schonk, dus niet zonder meer, zoals alle redeloze wezens op aarde. Neen, Hij maakte hen naar zijn beeld, doordat Hij hun ook de kracht van zijn Woord mededeelde, opdat ze a.h.w. zekere schaduwen des Woords zouden bezitten en zo, redelijke wezens geworden, in gelukzaligheid zouden kunnen voortbestaan, levende het waarachtige en in waarheid den heiligen eigene leven in het paradijs.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar daar God ook wist, dat de vrije wil der mensen zich naar twee zijden neigen kon, versterkte Hij van te voren door wet en plaats de hun geschonken genade. Want Hij plaatste hen in zijn paradijs en gaf hun een wet, opdat wanneer ze de genade zouden bewaren en goed zouden blijven, ze, behalve de belofte der hemelse onvergankelijkheid, het paradijsleven zonder leed en smart en zorg zouden bezitten; en opdat, wanneer ze de wet zouden overtreden en zich afkerende, slecht zouden worden, ze zouden inzien, dat hun volgens hun natuur de vergankelijkheid in den dood te wachten stond. Dan zouden ze niet langer in het paradijs leven maar voortaan er buiten stervende voortbestaan, in den dood en de vergankelijkheid. Dat voorspelt de goddelijke Schrift ook, in Gods eigen woorden: 'Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten. Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven' (Gen. 2, 16)[b:Gen. 2, 16]. Die uitdrukking 'den dood sterven' wat zou dat anders betekenen dan: niet alleen sterven maar ook in de vergankelijkheid des doods verblijven?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 4. ZONDE EN VERGANKELIJKHEID
Misschien vraagt ge verwonderd, waarom we nu over den oorsprong der mensen handelen, daar we ons toch hadden voorgenomen over de menswording des Woords te spreken. Maar ook dit onderwerp staat in verband met het doel der verhandeling. Het is immers nodig, wanneer wij spreken over de verschijning van den Heiland onder ons, ook te spreken over den oorsprong der mensen, opdat gij inziet dat onze schuld Hem heeft bewogen om af te dalen en dat onze overtreding de mensenlief de des Woords heeft wakker geroepen, zodat de Heer tot ons kwam en onder de mensen verscheen. Want de oorzaak zijner verschijning in het lichaam zijn wij en om ons te redden besloot hij in zijn liefde om in mensengedaante te worden geboren en in een lichaam te verschijnen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDeze God nu heeft den mens geschapen en wilde dat hij in onvergankelijkheid zou bestaan. Maar de mensen hebben het versmaad om hun gedachten op God te richten en zich daar van af gewend; ze hebben hun gedachten en zinnen op de slechtheid gericht, zoals in de eerste verhandeling werd gezegd. In de hoofdstukken 3 tot 5 van "Tegen de Heidenen'.[[1196]] Zo laadden zij het doodsoordeel op zich, waarmee te voren was gedreigd. En voortaan bleven ze ook niet leven, zoals ze waren ontstaan, maar ze vervielen aan de vergankelijkheid, overeenkomstig hun bedenken; en de dood heerste als koning over hen. Want de overtreding van het gebod bracht ze in hun natuurlijken toestand terug, zodat ze mettertijd vanzelfsprekend onderhevig zijn aan het tot-niets-vergaan, zoals ze uit niets zijn ontstaan. Want eens hadden ze het nietzijn als natuur. Daar ze nu door de tegenwoordigheid en liefde des Woords tot het aanzijn werden geroepen, was het natuurlijk gevolg, dat de mensen ook van het altijd-zijn werden verstoken, toen ze van de gemeenschap met God waren verstoken en zich hadden afgewend tot het niet-zijnde (want het slechte is het niet-zijnde en het goede is het zijnde, daar het immers door den zijnden God is ontstaan). Dat betekent, dat ze als gevolg der ontbinding in dood en vergankelijkheid bleven. Want de mens is van nature sterfelijk, daar hij uit het niet-zijnde is ontstaan. Maar wanneer hij de verwantschap met den Zijnde had bewaard door zijn geest op Hem te richten, zou hij de natuurlijke vergankelijkheid buiten werking hebben gesteld en als onvergankelijk zijn blijven leven; zoals de Wijsheid zegt: 'de gehoorzaamheid aan de wetten is de bevestiging der onvergankelijkheid.' (Sir. 6, 19)[[b:Sir. 6, 19]] Hij zou dan voortaan, wijl onsterfelijk, als God hebben geleefd, zoals de goddelijke Schrift dit ook ergens aldus uitdrukt: 'Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten. Maar gij sterft als mensen, en als éen van de vorsten valt gij' (Ps. 82, 6)[b:Ps. 82, 6].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 5. DE DOORWERKING DER ZONDE
Want God heeft ons niet alleen uit niets geschapen, maar ons ook door de genade des Woords het goddelijke leven geschonken. Doch de mensen hebben zich van het eeuwige af gewend en zich op aanraden des duivels naar het vergankelijke toegewend. Zo is het hun eigen schuld, dat ze in dood en vergankelijkheid zijn geraakt. Want wel waren ze (zoals ik al gezegd heb) van nature sterfelijk, maar door de genade der gemeenschap met het Woord zouden ze aan hun natuurlijke bestemming zijn ontkomen, wanneer ze goed gebleven waren. Want door het Woord, dat met hen verenigd was, zou ook de natuurlijke vergankelijkheid hen niet hebben bereikt, gelijk ook de Wijsheid zegt (Sir. 2, 23 vv)[[b:Sir. 2, 23]]: 'God schiep den mens tot onvergankelijkheid, en als beeld zijner eeuwigheid. Maar door de af gunst des duivels is de dood in de wereld binnen gekomen'. Nu dit geschied was, stierven de mensen. Voortaan had de vergankelijkheid de overhand over hen en ze oefende over heel het geslacht een des te grotere macht uit dan de natuurlijke toestand zou hebben gedaan, omdat ze op dezen toestand de bedreiging Gods tegen de mensen wegens de overtreding van het gebod vóor had. Want de mensen hielden zich met hun fouten niet binnen bepaalde grenzen. Maar van klein af voortgaande, zijn ze daarin later tot het mateloze voortgeschreden. Van den beginne zijn ze bedenkers der slechtheid geweest en hebben zich daardoor den dood en de vergankelijkheid op den hals gehaald. Maar later zijn ze in het zondigen onverzadigbaar geworden, daar ze zich tot de ongerechtigbeid keerden en alle ongehoorzaamheid aan de wet overtroffen en niet bij éen zonde bleven staan, maar steeds het ene nieuwe kwaad na het andere bedachten.Want overspel en diefstal kwam overal voor en heel de aarde was vol moord en roverij. Geen wet bekommerde zich om het verderf en de ongerechtigheid. Maar alle slechte daden werden door allen bedreven, afzonderlijk en gemeenschappelijk. De ene stad voerde oorlog tegen de andere en het ene volk verhief zich tegen het andere. Heel de wereld was door opstanden en gevechten verdeeld. Allen wedijverden in overtredingen. Ook de tegennatuurlijke zonden waren hun niet verre, maar, zoals de apostel die van Christus getuigt, zeide: 'Want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; en insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelf ontvangende' (Rom. 1, 26-27)[b:Rom. 1, 26-27].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 6. WAT GOD NU DOEN MOEST
Daar om deze reden de dood steeds meer macht verkreeg en de vergankelijkheid onder de mensen voortduurde, werd het geslacht der mensen verdorven. De redelijke, naar Gods beeld geschapen mens kwam om en het door God geschapen werk ging te loor. Want immers, zoals ik reeds zeide, had de dood voortaan wettelijk macht over ons. En het was niet mogelijk om aan de wet te ontkomen, daar ze door God terwille der overtreding gesteld was. Deze situatie nu was waarlijk tegelijk ongerijmd en ongepast.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWant het was ongerijmd dat God in zijn woorden liegen zou, nl. wanneer de mens na de overtreding niet zou sterven, daar God toch had verordend dat de mens des doods zou sterven, wanneer hij het gebod overtrad. Dan zou zijn woord gebroken worden. Want God zou niet waarachtig zijn, wanneer de mens niet gestorven ware, nadat Hij gezegd had, dat wij sterven zouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar tevens was het ongepast, dat de redelijke wezens, die eenmaal geschapen waren en aan zijn Woord deel hadden verkregen, verloren zouden gaan en door de vergankelijkheid zouden wederkeren tot het niet-zijn. Want het zou niet in overeenstemming zijn met de goedheid Gods, wanneer de door Hem geschapen wezens te gronde gingen wegens het bedrog, dat van de zijde des duivels tot de mensen was gekomen. Vooral ook zou het hoogst ongepast zijn geweest, dat het kunstwerk Gods in de mensen te loor ging, hetzij door hun eigen zorgeloosheid, hetzij door het bedrog der daemonen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDaar nu de redelijke wezens omkwamen en zulke heerlijke werken te gronde gingen, wat moest God doen, daar Hij goed is? Toelaten dat de vergankelijkheid macht over hen had en dat de dood over hen heerste? Waartoe was het dan goed, dat ze in den beginne geschapen waren? Want het ware beter geweest, dat ze niet geschapen waren, dan dat ze, eenmaal geschapen, verwaarloosd werden en te gronde gingen. Want de zwakheid van God, in plaats van zijn goedheid, blijkt veel duidelijker uit de verwaarlozing, d.w.z. veel duidelijker wanneer Hij zijn werk onbekommerd te gronde laat gaan na het geschapen te hebben, dan wanneer Hij in den beginne den mens niet had geschapen. Want wanneer Hij hem niet had gemaakt, dan was er niemand geweest, die aan zwakheid had kunnen denken. Maar nu Hij hem gemaakt en in het aanzijn geroepen heeft, zou het allerongerijmdst zijn, dat de scheppingswerken te gronde gingen en dat nog wel onder de ogen van den Schepper zelf. Derhalve mocht Hij de mensen niet in de macht der vergankelijkheid laten, want dat zou voor Gods goedheid ongepast en onwaardig zijn geweest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 7. ALLEEN HET WOORD KAN REDDING BRENGEN
Maar evenals dat noodzakelijkerwijs geschieden moest, zo stond daar ook andererzijds de eis van Gods wezen tegenover, nl. dat God in zijn verordening betreffende den dood waarachtig blijke. Want het ware ongerijmd, zo God, de Vader der waarheid, ten behoeve van ons nut en ons voortbestaan een leugenaar zou blijken. Wat moest dus met het oog hierop geschieden, of wat moest God doen? Berouw over hun overtreding van de mensen eisen? Want dat zou men Gode waardig kunnen noemen, door te betogen dat, zoals ze door de overtreding tot vergankelijkheid zijn gekomen, ze zo ook weder door het berouw tot onvergankelijkheid komen. Maar het berouw zou niet kunnen voldoen aan den eis van Gods wezen. Want God zou wederom niet waarachtig blijken, wanneer de mensen niet onder de heerschappij des doods zouden verkeren. Ook brengt het berouw geen verheffing uit den natuurlijken toestand maar doet alleen de zonden ophouden. Als er dus alleen sprake was van overtreding, zonder dat er vergankelijkheid op was gevolgd, dan zou het berouw goed zijn geweest. Maar wanneer de mensen, na eenmaal te hebben overtreden, zich krachtens hun natuur onder de heerschappij der vergankelijkheid bevonden en beroofd waren van de genade om beelddragers Gods te zijn - welk ander feit moest dan plaatsvinden? Of wie was nodig tot deze zo grote genade van het herstel? Wie anders dan het Woord, dat ook in den beginne uit het niets alles heeft gemaakt? Zijn werk was het, om zowel het vergankelijke wederom tot onvergankelijkheid te brengen alsook om ten behoeve van allen aan den eis van Gods wezen te voldoen. Want Hij die het Woord des Vaders was en boven allen was, was dientengevolge ook alleen in staat om alles te herscheppen en waardig om ten behoeve van allen te lijden en voor allen bij den Vader te pleiten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 8. WAAROM HET WOORD EEN LICHAAM NODlG HAD
Deswege komt het onlichamelijke, onvergankelijke en onstoffelijke Woord Gods in onze wereld, hoewel Hij ook voordien niet verre was. Want geen deel der schepping is van Hem verstoken gebleven maar Hij heeft overal alles vervuld, hoewel Hij bij zijn Vader verkeert. Doch Hij daalt af en komt tot ons uit liefde in zichtbare verschijning. En daar Hij zag, dat het redelijke geslacht te gronde ging en dat de dood over hen heerste door de vergankelijkheid; daar Hij tevens zag, dat de bedreiging die tegen de overtreding was uitgesproken, onze vergankelijkheid in stand hield en dat het ongerijmd was, zo de wet werd opgeheven vóor ze vervuld was; maar daar Hij tevens het ongepaste zag van de omstandigheid, dat datgene zou verdwijnen, waarvan Hij zelf de schepper was; en daar Hij tevens zag, hoe de overmatige slechtheid der mensen onder elkander allengs tot het onverdragelijke toe was gegroeid; en daar Hij tevens zag, dat alle mensen aan den dood waren onderworpen; nam Hij uit medelijden met ons geslacht en uit ontferming over onze zwakheid, afdalende in onze vergankelijkheid en de heerschappij des doods niet verdragende, opdat het geschapene niet te gronde zou gaan en het werk zijns Vaders jegens de mensen niet zou worden verijdeld, een lichaam aan en wel één dat aan het onze gelijk was. Want Hij wilde niet in het lichaam komen zonder meer, noch wilde Hij alleen maar verschijnen. Want als Hij alleen maar wilde verschijnen, kon Hij zijn verschijning ook door een beter middel doen plaatsvinden. Maar Hij neemt ons lichaam aan en ook dat niet op willekeurige wijze, maar uit een onbevlekte en smetteloze maagd, die geen man heeft bekend, zodat het rein was en geheel onbeïnvloed door mannelijke gemeenschap. Want daar Hij zelf machtig is en de schepper van alles, bereidt Hij zich in de maagd het lichaam als een tempel en maakt het tot zijn werktuig, daar Hij er zich in openbaart en er in woont. Zo nam Hij een lichaam aan, dat aan onze lichamen gelijk was; en omdat allen aan de vergankelijkheid des doods zijn onderworpen, gaf Hij dit ten behoeve van allen aan den dood prijs en offerde het zo aan zijn Vader. Hij deed dat uit liefde tot de mensen, met een tweeledig doel: enerzijds opdat, wanneer allen in Hem gestorven waren, de over de mensen gestelde wet aangaande de vergankelijkheid kon worden opgeheven (immers was haar macht in het lichaam des Heren voleindigd en had ze nu geen recht meer tegenover de aan Hem gelijke mensen); en andererzijds opdat Hij de mensen die zich tot de vergankelijkheid hadden omgewend, weder tot de onvergankelijkheid zou keren en hen uit den dood tot het leven zou brengen. Want door het gebruik van het lichaam en door de genade der opstanding vernietigde Hij in hen den dood zoals een stoppel door het vuur tenietgaat.
Referenties naar deze alinea: 1
H. Athanasius van Alexandrië ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 9· HOE HET WOORD ONS VAN DE VERGANKELIJKHEID VERLOSTE
Want daar het Woord inzag, dat de vergankelijkheid der mensen niet anders kon worden opgeheven dan wanneer Hij geheel in den dood ging, maar dat het Woord niet sterven kon, daar Hij onsterfelijk en de Zoon des Vaders is, zo nam Hij daarom het lichaam aan dat sterven kon, opdat dit door de deelname aan het Woord, dat boven alles is, in staat zou zijn om in aller plaats te sterven en toch door het inwonende Woord onvergankelijk zou blijven en opdat zo voortaan door de genade der opstanding voor allen aan de vergankelijkheid een einde zou komen. Toen Hij daarom het lichaam, dat Hij had aangenomen, zelf als een offerdier zonder enige smet ter dood bracht, verbrak Hij terstond de macht des doods over alle gelijksoortige lichamen door de offerande van het overeenkomstige. Want daar het Woord Gods boven allen is, heeft Hij natuurlijk, door zijn tempel en het werktuig van zijn lichaam in ruil voor het leven van allen te offeren, de schuld in den dood betaald. En zo heeft de onvergankelijke Zoon Gods, daar Hij door het gelijksoortige met allen verbonden was, natuurlijk allen met onvergankelijkheid bekleed door de belofte der opstanding. Immers heeft die vergankelijkheid des doods niet langer macht tegen de mensen, om het Woord dat door het éne lichaam onder hen is komen wonen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZoals, wanneer een grote koning in een grote stad is gekomen en in éen der huizen daar zijn intrek heeft genomen, zulk een stad in haar geheel grote eer wordt waardig gekeurd en geen vijand of rover haar meer komt verwoesten, maar ze veeleer met alle zorg wordt omringd, om den koning die in éen harer huizen zijn intrek heeft genomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo is het ook met den Koning over alles geschied. Want nu Hij op onze wereld is gekomen en in éen der gelijksoortige lichamen zijn intrek heeft genomen, nu hebben voortaan alle aanslagen der vijanden tegen de mensen opgehouden en de vergankelijkheid des doods, die vroeger macht tegen hen had, is verdwenen. Want het menselijk geslacht zou te gronde zijn gegaan, als de Heerser en Heiland van allen, de Zoon Gods, niet was opgetreden om aan den dood een einde te maken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 10. DIT WORDT BEVESTIGD DOOR WAT DE APOSTELEN ZEGGEN
Dit grote werk was waarlijk ten zeerste in overeenstemming met de goedheid Gods. Want indien een koning, die een woning of stad heeft gebouwd, wanneer deze door de nalatigheid der inwoners door rovers wordt aangevallen, haar in het geheel niet verwaarloost maar haar als zijn eigen werk wreekt en verlost, zonder rekening te houden met de nalatigheid der mensen, slechts met dat wat zijn eigen plicht 1s- ZO heeft het GodW oord van den algoeden Vader in nog veel hogere mate het door Hem geschapen menselijke geslacht, toen het ten verderve ging, niet verwaarloosd. Hij heeft den dood, die hun overkomen was, uitgewist door de offerande van zijn lichaam en hun nalatigheid rechtgezet door zijn onderwijzing, ja heel den toestand der mensen heeft Hij door zijn kracht ten goede gekeerd. Men kan dat ook bevestigd vinden door de Godgeleerden van den Heiland zelf, wanneer men hun geschriften leest waarin zij zeggen: 'Want de liefde van Christus dringt ons, als die dit oordelen, dat indien éen voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat wij die leven, niet meer onszelven zouden leven, maar Dien Die voor ons gestorven en uit de doden opgestaan is, onzen Here Jezus Christus' (2 Cor. 5:14 v.). En ook: 'Maar wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods met heerlijkheid en ere gekroond, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou' (Hebr. 2:9). Vervolgens noemt hij ook de oorzaak, waarom niemand anders dan het God-Woord zelf mens moest worden, als hij zegt: 'Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn en door W eiken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen' (Hebr. 2:1o). Hiermee drukt hij uit, dat niemand anders bij machte was, de mensen uit de hun overkomen vergankelijkheid terug te voeren, dan het God-Woord dat hen ook in den beginne heeft geschapen. Dat het Woord zelf een lichaam aannam om het voor de gelijksoortige lichamen te kunnen offeren, ook dat drukken ze uit, als ze zeggen: 'overmits dan de kinderen des vlezes en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelver deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is den duivel; en verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren' (Hebr. 2:14 v.). Want door het offer van zijn lichaam heeft Hij zowel aan de tegen ons gerichte wet een einde gemaakt, als ook ons een nieuw begin des levens geschonken, daar Hij ons de hope der opstanding gaf. Want daar de dood door mensen over mensen heerschappij heeft verkregen, is deswege ook door de menswording van het God-Woord de vernietiging des doods en de opstanding des levens geschied, zoals de man, die Christus in zich draagt, zegt: 'Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een mens. Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden' (1 Cor. 15:21 v.) en wat daarop volgt. Want wij sterven nu niet meer als mensen die veroordeeld worden maar als mensen, die opgewekt worden, verwachten wij de gemeenschappelijke opstanding van allen, welke God, die haar heeft bewerkt en geschonken te bestemder tijd zal openbaren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDit is de eerste oorzaak der menswording van den Heiland. Maar ook uit het volgende kan men de innerlijke noodzakelijkheid van zijn genadig komen tot ons verstaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 11. DE ZONDE HEEFT ONS OOK DE KENNIS AANGAANDE GOD DOEN VERLIEZEN
Toen God, die de macht over alles heeft, het mensengeslacht door zijn Woord schiep, zag Hij de zwakheid hunner natuur, dat deze uit zichzelf niet in staat was den Bouwheer te leren kennen noch om enige kennis van God te krijgen, daar Hij ongeworden is maar zij uit het niet zijn gemaakt en Hij onlichamelijk is maar de mensen ergens beneden in een lichaam zijn gevormd en daar in het algemeen de geschapen wezens verre tekortschieten om den Schepper te begrijpen en te kennen. Maar daar Hij goed is, heeft Hij medelijden gehad met het menselijk geslacht en hen niet van de kennis aangaande Hem verstoken gelaten, opdat hun bestaan niet nutteloos zou zijn. Want welk nut zou er voor de geschapen wezens zijn, zo ze hun Schepper niet kennen? Of hoe zouden ze redelijke wezens kunnen zijn, wanneer ze het Woord des Vaders, waarin ze gemaakt zijn, niet kennen? Want ze zouden in niets van de onredelijke wezens verschillen, wanneer ze niets anders kenden dan de aardse dingen. En waartoe heeft God hen gemaakt, als Hij niet door hen wilde gekend worden?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDaarom, opdat dit niet zou geschieden, deelt Hij, daar Hij goed is, hun zijn beeld, onzen Here Jezus Christus, mede; en Hij maakt hen naar zijn beeld en gelijkenis, opdat zij, door deze zo grote genade het beeld erkennende, namelijk het Woord des Vaders, door Hem kennis van den Vader zouden kunnen verkrijgen en, den Schepper kennende, het waarlijk gelukkige en zalige leven zouden leven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar de hunnerzijds dwaze mensen verachtten ook zo de hun geschonken genade en keerden zich zozeer van God af en besmeurden hun ziel zozeer, dat ze niet alleen de kennis aangaande God vergaten maar ook zich het een na het ander verzonnen. Want in stede der waarheid maakten ze zich afgodsbeelden en aan het niet-zijnde bewezen ze liever ere dan aan den zijnden God, daar ze de schepping vereerden boven den Schepper. En het ergste was, dat ze de ere Gods zelfs overdroegen op houten en stenen en allerlei stoffelijke voorwerpen en op mensen; en ze deden nog meer dan dit, zoals vroeger is gezegd. N.v.d.v.: In de hoofdstukken 9 tot 14 en 24 tot 26 van 'Tegen de Heidenen'.[[1196]] Zover ging hun goddeloosheid, dat ze voortaan ook daemonen vereerden en hen goden noemden en hun begeerten vervulden. Want ze brachten offers van redeloze dieren en ze slachtten mensen om aan genen het hun toekomende te geven. Zo verstrikten ze zich nog te meer door de prikkels, die van genen uitgingen. Daarom werden bij hen ook toverkunsten onderwezen en orakels op elke plaats misleidden de mensen en allen schreven de oorzaak van hun geboorte en bestaan aan de sterren en aan alle hemellichamen toe, zonder hun gedachten tot boven het zichtbare te verheffen. En in alle opzichten was alles vol goddeloosheid en overtreding. De enige God en zijn Woord werden niet gekend. Toch had Hij zich niet zo voor de mensen verborgen, dat Hij onzichtbaar was. Ook had Hij hun niet slechts op éen wijze kennis aangaande zich gegeven maar Hij had die op menigvuldige wijze en door vele middelen hun ontvouwd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 12. WE KONDEN GOD KENNEN DOOR DE SCHEPPING, DE WET EN DE PROFETEN
Want de genade van het naar Gods beeld geschapen zijn, was voldoende om het God-Woord te leren kennen en door Hem den Vader. Daar God echter de zwakheid der mensen kende, nam Hij ook voorzorgsmaatregelen met het oog op hun nalatigheid, opdat, indien ze zouden nalaten om door zichzelf God te leren kennen, ze door de werken der schepping van den Bouwheer niet onkundig zouden blijven. Maar daar de nalatigheid der mensen allengs erger werd, nam God wederom voorzorgsmaatregelen met het oog op hun grote zwakheid, door hun een wet en profeten, die bij hen bekend waren, te zenden, opdat, wanneer ze er afkerig van waren om naar den hemel op te zien en zo den Schepper te leren kennen, zij onderricht van nabij zouden ontvangen. Want mensen kunnen door mensen van meer nabij lering ontvangen aangaande de hogere dingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet was hun dus mogelijk, wanneer ze opzagen naar de grootte des hemels en de harmonie der schepping beschouwden, den bestuurder er van, het Woord des Vaders, te leren kennen, die door Zijn over alles gaande voorzienigheid aan allen den Vader openbaart en die daartoe het al beweegt, opdat door Hem allen den Vader zouden kennen. Of wanneer ze daar afkerig van waren, zo was het hun ook mogelijk met de heiligen samen te komen en door hen God den Bouwheer van alles, den Vader van Christus te leren en dat de dienst der afgoden Godverloochening is en vol van alle goddeloosheid. Het was hun ook mogelijk, nadat ze de wet hadden leren kennen, met alle overtreding op te houden en het leven der deugd te leiden. Want de wet was er niet alleen voor de Joden en de profeten werden niet alleen voor hen gezonden. Wel werden ze tot de Joden gezonden en door de Joden vervolgd. Maar voor heel de wereld waren ze een heilige leerschool in Godskennis en zielewandel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHoewel dus de goedheid en liefde Gods zo groot was, hebben de mensen zich toch door de begeerten van het ogenblik en door de schone drogbeelden en bedriegerijen van de zijde der daemonen laten overmeesteren. Ze hebben niet tot de waarheid opgezien maar zich met onmatig veel slechtheid en zonde vervuld, zodat ze niet langer redelijk schenen maar op grond van hun gedrag voor onredelijk werden gehouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 13. ALLEEN HET WOORD KAN ONS DE GODSKENNIS HERGEVEN
Nu de mensen zo van rede waren beroofd en nu de daemonische dwaling zo alles alom overschaduwde en de kennis aangaande den waren God in vergetelheid bracht - wat had God nu moeten doen? Over iets zo ernstigs zwijgen en toelaten, dat de mensen door de daemonen werden misleid en dat ze God niet kenden? Waartoe was het dan nodig geweest, dat de mens in den beginne naar Gods beeld werd geschapen? Het ware beter geweest, wanneer hij zonder meer als onredelijk was geschapen, dan dat hij, na redelijk geschapen te zijn, het leven der onredelijke wezens moest leiden. Hoe kon het dan nog enig nut hebben, dat hij in den beginne kennis aangaande God ontving? Want wanneer hij het nu niet waardig is die te ontvangen, zo had ze hem ook in den beginne niet moeten worden geschonken. En welk nut zou het ook gehad hebben voor God, die hen gemaakt heeft, of welke eer zou Hij er mee behaald hebben, wanneer de door Hem geschapen mensen Hem niet aanbidden maar anderen voor hun scheppers houden? Want dan wordt God bevonden als éen, die hen voor anderen en niet voor zichzelf heeft gemaakt. Bovendien: een koning, die maar een mens is, gedoogt niet dat de landen die hij heeft laten bevolken, aan anderen uitgeleverd en dienstbaar worden, of zich onder de heerschappij van anderen begeven; maar hij vermaant ze met brieven en geeft hun ook dikwijls door vrienden opdracht en als de noodzaak zich voordoet, komt hij zelf en boezemt hun dan vrees in door zijn tegenwoordigheid; en dat alles, opdat ze niet anderen zouden dienen en zo zijn werk niet tevergeefs zou zijn. Zal God dan niet veel meer zijn schepselen behoeden, zodat ze niet van Hem weg dwalen en geen wezens dienen, die niet bestaan? Vooral omdat zulk een dwaling voor hen ondergang en verdwijning betekende en de wezens die eenmaal deel hadden gekregen aan het beeld Gods, niet mochten ondergaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat had God dus moeten doen? Of wat had er anders moeten geschieden, dan dat het geschapen-zijn naar Gods beeld weer werd vernieuwd, opdat de mensen Hem daardoor weer konden leren kennen? En hoe had dat kunnen geschieden, zo niet het beeld Gods zelf, onze Heiland Jezus Christus te hulp gekomen ware? Want door mensen was dat niet mogelijk, daar zij zelf naar dat beeld gemaakt zijn. Maar ook door engelen niet; want ook zij zijn zelf geen beelden. Daarom kwam het Woord Gods zelf te hulp, opdat Hij, daar Hij het beeld des Vaders is, den naar het beeld geschapen mens kon hernieuwen. Bovendien had het op geen andere wijze kunnen geschieden, dan wanneer de dood en de vergankelijkheid vernietigd waren. Daarom nam Hij terecht een sterfelijk lichaam, opdat daarin ook de dood kon worden vernietigd en de mensen weder naar het beeld konden worden vernieuwd. Daarom was niemand anders hiertoe in staat, dan het beeld des Vaders.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 14. ALLEEN HET WOORD EN ALLEEN ZIJN MENSWORDING KAN HELPEN
Het is er mee, als met een op hout geschilderde beeltenis, die door het vuil van buitenaf onzichtbaar is geworden. Dan is het nodig dat diegene komt, wiens beeltenis het is, opdat het beeld op dezelfde stof kan worden vernieuwd. Want terwille van de beeltenis van die persoon, wordt de stof zelf, waarop het geschilderd is, niet weggeworpen maar de beeltenis wordt daarnaar vernieuwd. Evenzo kwam ook de volheilige Zoon des Vaders, die het beeld des Vaders is, naar onze wereld, opdat Hij den naar Hem geschapen mens zou vernieuwen en hem als een verlorene, door de zondenvergeving zou vinden, gelijk Hij ook zelf in de evangelin zegt: 'Ik ben gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was' (Lc. 19, 10)[b:Lc. 19, 10]. Daarom zeide Hij ook tot de Joden: 'Tenzij dat iemand wedergeboren worde' (Joh. 3, 3)[b:Joh. 3, 3], waarmee Hij niet de geboorte uit vrouwen bedoelde, zoals zij dachten, maar over de ziel sprak die in de geschapenheid naar het beeld wordt herboren en hernieuwd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDaar ook afgodische waanzin en goddeloosheid de wereld vervulden, en de kennis aangaande God weg was Wie moest nu de wereld omtrent den Vader onderrichten? Misschien zegt iemand: de mens. Maar de mensen waren niet in staat, heel het ondermaanse te doorlopen; ook hadden ze van nature geen kracht genoeg tot zulk een lange reis; noch waren ze in staat, zich hieromtrent geloofwaardig te maken; noch waren ze bij machte uit eigen kracht weerstand te bieden aan het bedrog en de betovering der daemonen. Hoe was het mogelijk, daar allen in hun ziel verslagen en verward waren door het daemonische bedrog en de ijdelheid der af godsbeelden, om de ziel en geest der mensen tot andere gedachten te brengen, daar zij ze immers niet eens kunnen zien? Hoe kan men iets, dat men niet ziet, door overreding veranderen? Maar misschien zegt iemand, dat de schepping daartoe voldoende is. Maar als de schepping voldoende ware geweest, zouden zulke grote rampen niet zijn ontstaan. Want ook de schepping was er; desniettemin wentelden de mensen zich rond in dezelfde dwaling omtrent God. Wie was dus anders nodig dan het God Woord, dat èn ziel èn geest ziet, dat ook alles in de schepping beweegt en door dit alles den Vader openbaart? Want Hij die door zijn voorzienigheid en bestuur over alle dingen, aangaande den Vader onderricht, Hij moest ook datzelfde onderricht vernieuwen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHoe had dat dan moeten geschieden? Misschien zegt iemand, dat dit door dezelfde middelen mogelijk was, zodat Hij wederom door de werken der schepping God kon openbaren. Maar dat was niet betrouwbaar genoeg meer. Neen, want voorheen hebben de mensen daaraan voorbij gezien en ze hebben hun ogen niet meer naar boven maar naar beneden gericht gehouden. Daarom, daar Hij de mensen wilde helpen, maakt Hij zich terecht als een mens woning en neemt een lichaam aan, dat aan het hunne gelijk is, uit aardse stof, namelijk ten dienste van de werken die Hij in het lichaam wilde doen; opdat degenen, die Hem niet wilden leren kennen uit zijn voorzorg en leiding over alles, dan door de werken van het lichaam zelf, het Woord Gods dat zich in dit lichaam bevindt, zouden leren kennen en door Hem den Vader.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 15. HET WOORD GEBRUIKT DAARBIJ HET MIDDEL DER ZINNELIJKE WAARNEMING
Want zoals een goed leermeester, die voor zijn leerlingen zorgt, zich zeker aanpast bij degenen die met de moeilijker dingen niet geholpen kunnen worden en ze opvoedt door de meer gemakkelijke dingen; zo doet ook het Woord Gods, gelijk Paulus zegt: 'Want nademaal in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven' (1 Kor. 1, 21)[b:1 Kor. 1, 21]. Want daar de mensen zich van het beschouwen van God hadden af gewend en, als in een af grond gestort, hun ogen naar beneden gericht hielden, zodat ze in de schepping en in het waarneembare God zochten en zich sterfelijke mensen en daemonen als goden voorstelden; deswege neemt de menslievende Heiland van allen, het Woord Gods, een lichaam aan en wandelt als mens tussen de mensen. Zo richt Hij de waarneming aller mensen op zich, opdat zij die menen, dat God in de lichamelijke dingen is, uit datgene wat de Heer door de werken des lichaams verricht, de waarheid zouden erkennen en door Hem den Vader zouden begrijpen. Daar zij mensen waren en in alle opzichten menselijke voorstellingen koesterden, zagen zij zich door alle dingen, waarop ze hun waarneming richtten, in beslag genomen, zodat ze nu van alle zijden in de waarheid werden onderricht. Want indien ze vol verwondering de schepping aanstaarden, zo zagen ze haar den Here Christus belijden; indien hun geest voor de mensen was ingenomen, zodat ze dezen voor goden hielden, zo bleek hun, bij vergelijking, uit de werken des Heilands, dat onder de mensen alleen de Heiland Gods Zoon was, daar zulke grote werken als het Woord Gods deed, bij hen niet voorkwamen. En indien ze voor de daemonen waren ingenomen, zo zagen ze, hoe dezen door den Heer werden verjaagd en erkenden ze, dat Hij alleen het Woord Gods was en dat de daemonen geen goden waren. En indien ook tenslotte hun geest door de doden was geboeid, zodat zij heroën vereerden en degenen, die door de dichters goden werden genoemd, zo erkenden ze bij het zien van de opstanding des Heilands, dat genen leugenaars zijn, en dat alleen de Heer waarlijk het Woord des Vaders is, Hij die ook Heer is over den dood.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMet dat doel is Hij ook geboren en als mens verschenen en gestorven en opgestaan, waarbij Hij door zijn werken de daden der vroegere mensen verzwakte en overschaduwde, opdat Hij de mensen van alle dingen waardoor hun geest was ingenomen, zou terugroepen en hun kennis zou geven van zijn waren Vader, gelijk Hij ook zelf zegt: 'Ik ben gekomen om zalig te maken en te zoeken, dat verloren was' (Lc. 19, 10)[b:Lc. 19, 10].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 16. OVERAL IN DE ZICHTBARE WERELD HEEFT HET WOORD ZICH GEOPENBAARD
Want daar de geest der mensen nu eenmaal aan het zinnelijke vervallen was, vernederde het Woord zich om door een lichaam te verschijnen opdat Hij als mens de mensen tot zich zou keren en hun waarneming op zich zou richten en dan hen, die Hem als een mens zagen, er door de werken die Hij deed, van zou overtuigen, dat Hij niet alleen maar een mens was, doch ook God en het Woord en de Wijsheid van den waren God. Dat wil ook Paulus uitdrukken, als hij zegt: 'In de liefde geworteld en gegrond, opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij, en bekennen de lief de van· Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods' (Ef. 3, 17-19)[b:Ef. 3, 17-19]. Want daar het Woord zich overal heeft ontvouwd, zowel boven als beneden, zowel in de diepte als in de breedte, boven in de schepping, beneden in de menswording, in de diepte in het dodenrijk, in de breedte in de wereld - zo is het al met de kennis Gods vervuld. Om die reden bracht Hij ook niet terstond bij zijn verschijning het offer voor allen, door zijn lichaam aan den dood over te geven en het op te wekken. Hij zou zich dan niet door het lichaam hebben geopenbaard. Maar Hij maakte zich daardoor ook openbaar, daar Hij in het lichaam verbleef en zo grote werken volbracht en zo grote tekenen deed, dat daaruit bleek, dat Hij niet slechts een mens, maar het God-Woord was. Want twee weldaden zijner liefde schonk de Heiland ons door zijn menswording; enerzijds deed Hij den dood van ons weg en vernieuwde Hij ons; andererzijds openbaarde Hij zich door de werken, hoewel Hij verborgen en onzichtbaar is en maakte zich bekend als het Woord des Vaders, den leider en koning van het al.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 17. ONDANKS ZIJN MENSWORDING, BLEEF HET WOORD ALLES BESTUREN
Hij was immers niet in het lichaam ingesloten. Ook was het niet zo, dat Hij wel in het lichaam maar niet ergens anders was. Noch zo, dat Hij wel het lichaam bestuurde maar dat het al van zijn werkzaamheid en voorzorg verstoken was. Maar wat het meest onwaarschijnlijk lijkt: als het Woord werd Hij door niets omvat maar omvatte Hij veeleer zelf alles. Zoals Hij in de schepping is, namelijk zo, dat Hij naar zijn wezen buiten het al is maar met zijn krachten in het al is, alles ordenend, in alles jegens alles zijn voorzorg ontvouwend, elk ding en alles tegelijk bezielend, alles omvattend en niet omvat wordend maar geheel in alle opzichten alleen in zijn Vader zijnde; zo was Hij ook wel in het menselijk lichaam en bezielde Hij dat zelf maar tegelijk bezielde Hij natuurlijk ook het heelal en bevond Hij zich in alles en was Hij buiten het heelal. En terwijl Hij zich in het lichaam door de werken openbaarde, was Hij toch niet verborgen in zijn werkzaamheid over het heelal.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is een eigenschap der ziel, om wel datgene wat buiten het eigen lichaam is, met haar verstandsoverwegingen te doordenken maar niet om ook buiten het lichaam te werken, of om wat ver daar vandaan is, met haar tegenwoordigheid te bewegen. Nooit immers kan een mens, als hij zijn gedachten op het ver verwijderde richt, dat dan ook bewegen en verplaatsen. Ook kan een mens, als hij in zijn huis zit en aan de hemelverschijnselen denkt, niet tevens de zon bewegen en den kringloop des hemels leiden. Wel ziet hij hun beweging en bestaan maar hij kan er daarom nog niet op inwerken. Zo was het niet met het Woord Gods in zijn menselijke gedaante gesteld. Want Hij was niet in het lichaam gekerkerd maar integendeel, Hij zelf beheerste het, zodat Hij èn daarin was èn zich in alles bevond èn buiten het bestaande was en in zijn Vader alleen rustte. En het verwonderlijke was dit, dat Hij èn als mens leef de, èn als het Woord alles bezielde, èn als de Zoon bij den Vader was. Daarom leed Hij zelf niet, toen de maagd baarde en Hij werd niet bevlekt, toen Hij in een lichaam woonde; integendeel, Hij heiligde ook het lichaam. Want ook, hoewel Hij in alle dingen is, neemt Hij geen deel aan alle dingen maar worden alle dingen integendeel door Hem bezield en gevoed. Het is er mee, als met de zon die door Hem is geschapen en door ons wordt gezien bij haar beweging in het hemelruim; hoewel ze de lichamen op aarde aanraakt, wordt ze er niet door bezoedeld en ook wordt ze door het donker niet verduisterd maar zelf verlicht en reinigt ze integendeel die dingen. Zo en in nog veel hogere mate werd het allerheiligste Woord Gods, dat ook de schepper en heer der zon is, niet bezoedeld door zijn openbaring in een lichaam; integendeel, daar Hij onvergankelijk was, bezielde en reinigde Hij ook het lichaam dat sterfelijk was. Het luidt immers: 'Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in zijn mond gevonden' (1 Pt. 2, 22)[b:1 Pt. 2, 22].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 18. IN DE WERKEN DES LICHAAMS OPENBAARDE HET WOORD ZIJN GODDELIJKHEID
Wanneer dan ook de mannen, die in dit opzicht van God geleerd zijn, zeggen dat Hij at en geboren werd, weet dan, dat wel het lichaam als lichaam geboren en door daarbij behorende spijzen gevoed werd, maar dat het albesturend GodW oord zelf, dat met het lichaam verbonden was, zich ook door de werken, die Hij in het lichaam deed, niet als mens maar als God-Woord openbaarde. Die dingen worden echter van Hem gezegd, omdat ook het lichaam, dat at en geboren werd en leed, niet aan een ander maar aan den Heer toebehoorde; en omdat, daar Hij een mens was geworden, ook die dingen over Hem als over een mens moesten worden gezegd, opdat duidelijk zou zijn dat Hij in werkelijkheid en niet in schijn een lichaam had. Maar evenals hieruit bleek dat Hij lichamelijk aanwezig was, zo openbaarde Hij zich in de werken die Hij door middel van het lichaam deed, als Zoon Gods. Daarom riep Hij ook tot de ongelovige Joden: 'Indien ik niet doe de werken mijns Vaders, zo gelooft mij niet; maar indien ik ze doe, en zo gij mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en geloven, dat de Vader in mij is, en ik in den Vader' (Joh. 10, 37-38)[b:Joh. 10, 37-38]. Want zoals Hij, hoewel onzichtbaar, uit de werken der schepping wordt gekend, zo kon in zijn menswording, hoewel Hij ook in het lichaam onzichtbaar was, uit de werken blijken, dat Hij die ze deed, geen mens was maar Gods kracht en Woord. Want dat Hij daemonen beveelt en dat dezen zich laten uitdrijven, dat is geen menselijk maar een goddelijk werk. Of wie, die Hem de ziekten zag genezen, waaraan het menselijk geslacht onderworpen is, hield Hem nog voor een mens en niet voor God? Want melaatsen reinigde hij, kreupelen deed Hij wandelen, bij doven opende Hij het gehoor, blinden deed Hij zien en, in één woord, alle ziekten en alle zwakheden dreef Hij van de mensen uit. Daaruit kon de eerste de beste zijn goddelijkheid zien. Want wie die Hem ziet geven wat van de geboorte af ontbrak en de ogen van den blindgeborene ziet openen, moet niet op de gedachte komen, dat de menselijke geboorte Hem onderworpen is en dat Hij er de maker en schepper van is? Want het is volkomen duidelijk, dat Hij die den mens geeft wat hij bij de geboorte niet meekreeg, ook Heer is over de geboorte der mensen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDaarom vormde Hij zich ook bij den aanvang, toen Hij tot ons afkwam, het lichaam uit een maagd, opdat Hij aan allen geen gering bewijs van zijn goddelijkheid zou geven, namelijk dat Hij, die dat gevormd heeft, zelf ook de schepper der andere dingen is. Want wie, die ziet dat een lichaam zonder man door een maagd alleen wordt voortgebracht, komt niet tot de overtuiging, dat Hij die zich daarin openbaart, de Maker en Heer ook der andere lichamen is? En wie, die de substantie van het water in wijn ziet veranderen, begrijpt niet, dat Hij die dat deed, ook Heer en Schepper van de substantie aller wateren is? Daarom liep Hij ook als beheerser over het water en wandelde er als op het land; zo gaf Hij den toeschouwers een bewijs van zijn beheersing aller dingen. En toen Hij met weinig zulk een grote menigte spijzigde en zelf uit een tekort mildelijk schonk, zodat met vijf broden er vijf duizend verzadigd werden en er nog zoveel over bleef, toen bewees Hij toch niets anders dan dat Hij ook de Heer der voorzienigheid over alles was?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 19. OOK BIJ ZIJN DOOD BLEEK ZIJN GODDELIJKHEID
Het dacht den Heiland goed, dit alles te doen, opdat de mensen, daar ze zijn voorzienigheid over alle dingen hadden miskend en zijn goddelijkheid in zijn schepping niet hadden bemerkt, Hem dan tenminste in de werken des lichaams zouden gaan zien en door Hem begrip zouden krijgen van de kennis des Vaders, doordat ze, zoals ik al gezegd heb, uit zijn openbaring in een onderdeel zouden besluiten tot zijn voorzienigheid over alles. Want wie zou nog in twijfel blijven of deze wel de Zoon, de Wijsheid en de Kracht Gods is, als hij zijn macht over de daemonen ziet of als hij ziet dat de daemonen Hem als hun Heer erkennen? Hij heeft er voor gezorgd, dat ook de schepping zelf niet zweeg maar - wat verwonderlijk is - zelfs in den dood, of liever in het zegeteken over den dood, namelijk door het kruis, erkent heel de schepping dat Hij die in het lichaam zich openbaart en lijdt, niet maar een mens is maar Gods Zoon en aller Heiland. Want de zon wendde zich af, de aarde werd bewogen, de bergen scheurden en allen ontzetten zich. Deze feiten toonden aan, dat Christus die aan het kruis hing, God was en dat heel de schepping Hem onderworpen was en door haar vreze de tegenwoordigheid van haar Heer betuigde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo openbaarde zich dus het God-Woord door de werken aan de mensen. Het is passend, om nu ook het einde van zijn verblijf en verkeer in het lichaam te verhalen en ook te zeggen, hoe de dood van het lichaam geweest is. Vooral omdat dit het voornaamste stuk van ons geloof is en letterlijk alle mensen daarover praten. Gij moet immers weten, dat integendeel ook daardoor Christus zich in geen enkel opzicht minder, als God en als Zoon Gods openbaart.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 20. WAAROM HET LICHAAM DES HEREN STER VEN MOEST
We hebben dus in het voorgaande de oorzaak van zijn lichamelijke verschijning aangegeven, tenminste ten dele, voorzover dit ons mogelijk is en wij het bevatten kunnen. We zeiden dus, dat niemand anders de macht had om het vergankelijke in onvergankelijkheid te veranderen, dan de Heiland zelf, die ook in den beginne alles uit het niets heeft geschapen; en dat niemand anders de macht had om de geschapenheid naar Gods beeld bij de mensen te hernieuwen, dan het Beeld des Vaders; en dat niemand anders de macht had het sterfelijke tot onsterfelijkheid te brengen, dan onze Here Jezus Christus, die het Leven zelf is; en dat niemand anders de macht had over den Vader te onderrichten en de verering der afgodsbeelden weg te nemen, dan het Woord dat alles regeert en dat alleen de eniggeborene en waarachtige Zoon des Vaders is. Maar omdat bovendien aller schuld moest worden betaald - want (zoals ik eerder zeide) allen moesten sterven; daarom vooral is Hij tot ons gekomen - deswegen bracht Hij, na de blijken zijner goddelijkheid uit de werken, bovendien ook ten aller behoeve het offer, door in aller plaats zijn tempel in den dood over te geven, opdat Hij allen van hun onderworpenheid aan de oude overtreding zou bevrijden en ook zich als sterker dan de dood zou bewijzen, door zijn lichaam (als eersteling van aller opstanding) onsterfelijk te betonen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVerwonder u niet, als we dikwijls het zelf de zeggen over het zelf de onderwerp. Want omdat we over de lief de Gods spreken, verduidelijken we eenzelfde gedachte door verschillende redeneringen, opdat we niet den schijn op ons laden, dat we iets zouden overslaan en ons de beschuldiging niet treffe, dat we onvolledig zouden spreken. Want het is beter, het verwijt van herhaling op zich te laden, dan iets weg te laten wat geschreven moest worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet lichaam bezat dezelfde natuur als alle lichamen, want het was een menselijk lichaam; al was het ook door een bijzonder wonder alleen uit een maagd ontstaan, het was toch sterfelijk. Daarom is het ook, evenals alle gelijke lichamen, gestorven. Maar door de indaling van het Woord ging het niet meer ten onder (zoals krachtens zijn eigen natuur had moeten gebeuren); maar door het Woord Gods dat er in woonde, werd het aan de vergankelijkheid onttrokken. Zo geschiedde het dat deze twee dingen in dezelfde gebeurtenis op onbegrijpelijke wijze tot stand kwamen: dat aller dood in het lichaam des Heren werd vervuld èn dat de dood en de vergankelijkheid door het inwonende Woord werden vernietigd. Want de dood was nodig en moest ten behoeve van allen geschieden, opdat zo aller schuld zou worden gedelgd. Daarom (zoals ik al zeide) nam het Woord, daar het zelf niet sterven kon (want het was onsterfelijk), een lichaam aan dat sterven kon, opdat Hij dat als zijn eigen lichaam in aller plaats zou offeren en, zelf voor allen lijdende door zijn indaling in dit lichaam, 'te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is den duivel, en verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren' (Hebr. 2, 14 v.)[b:Hebr. 2, 14].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 21. WAAROM HET LICHAAM DES HEREN DEN KRUISDOOD STERVEN MOEST
Daarom sterven wij die in Christus geloven nu niet meer, zoals voorheen, krachtens de bedreiging der wet, nu de Heiland van allen voor ons gestorven is. Want deze straf is opgehouden. Maar nu de vergankelijkheid ophoudt en verdwijnt in de genade der opstanding, worden wij voortaan krachtens de sterfelijkheid van ons lichaam, alleen ontbonden door den tijd dien God aan ieder heeft gesteld, opdat wij een betere opstanding deelachtig zouden kunnen worden. Want evenals dat het geval is bij de zaadkorrels, die in de aarde geworpen worden, vergaan wij niet als wij ontbonden worden maar wij zullen opstaan, zoals wij gezaaid zijn, daar de dood door de genade van den Heiland vernietigd is. Daarom zegt de zalige Paulus immers ook (en hij is daarin voor allen een borg der opstanding): 'Dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aardoen. En wanneer dit vergankelijke zal onvergan': lijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?' (1 Kor. 15, 53-55)[b:1 Kor. 15, 53-55].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaNu zou iemand kunnen zeggen: als het dan nodig was, dat Hij voor allen zijn lichaam aan den dood overgaf, waarom legde Hij dat dan niet gewoon af, zoals ieder mens? Waarom ging Hij zover, dat Hij zich zelfs liet kruisigen? Want het paste beter bij Hem, om op eervolle wijze het lichaam af te leggen, dan met schande zulk een dood te ondergaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDoch zie toe, of zulk een tegenwerping niet menselijk is, en of wat de Heiland deed, niet om vele redenen echt goddelijk en zijner Godheid waardig was. Ten eerste, omdat de dood die den mensen overkomt, hen treft krachtens de zwakheid hunner natuur. Want onmachtig om lang voort te bestaan, worden ze door den tijd ontbonden. Daarom immers overkomen hun ziekten en sterven zij door verzwakking. Maar de Heer is niet zwak. Hij is Gods Kracht en Gods Woord en het Leven zelf. Wanneer Hij dus op gewone wijze, zoals het bij de mensen meestal gaat, zijn lichaam had af gelegd op een bed, dan zou men denken dat ook Hijzelf dit op grond van de zwakheid der natuur had ondergaan en dat Hij niets meer was dan de andere mensen. Daar Hij echter enerzijds het Leven en het Woord Gods was en daar andererzijds de dood voor allen moest plaatshebben, zo verleende Hij, daar Hij het Leven en de Kracht was, aan zijn lichaam sterkte; maar daar de dood plaats moest vinden, kon Hij niet aan zichzelf, doch slechts aan anderen de mogelijkheid ontlenen om de offerande te volbrengen. Want de Heer die de ziekten der anderen genas, mocht zelf niet ziek zijn. Maar dat lichaam, waarin Hij aan de zwakheden der anderen kracht verleende, mocht ook zelf niet verzwakken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar waarom voorkwam Hij dan ook den dood niet, evenals het ziek zijn? Omdat Hij daartoe het lichaam gekregen had en het niet betaamde om dat te voorkomen; opdat ook de opstanding niet verhinderd zou worden. Het betaamde echter niet, dat aan den dood een ziekte vooraf ging, opdat deze niet voor een zwakte zou worden gehouden van Hem, die in het lichaam woonde. Had Hij dan geen honger? Zeker, Hij had honger wegens de eigenschappen van het lichaam. Maar Hij kwam niet van honger om, wegens den Heer die het lichaam droeg. Daarom, al stierf Hij ook wegens den losprijs voor allen, zo heeft Hij toch geen vergankelijkheid gezien. Want ongeschonden stond Hij op, omdat het het lichaam van niemand anders dan het Leven zelf was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 22. WAAROM HET LICHAAM DES HEREN DEN KRUISDOOD STERVEN MOEST (vervolg)
Maar, zou iemand kunnen zeggen, Hij had zich moeten verbergen voor den aanslag der Joden om zo zijn lichaam geheel onsterfelijk te bewaren. Wie dat zegt, moet horen dat ook dat den Heer niet betaamde. Want evenals het aan het Woord Gods, die het Leven is, niet betaamde, zijn lichaam uit zichzelf aan den dood prijs te geven, zo paste het ook niet bij Hem, om den dood te ontvlieden, die Hem door anderen werd aangedaan. Veeleer moest Hij dien opzoeken om hem te vernietigen. Daarom dus legde Hij zijn lichaam niet vanzelf af en ontvluchtte Hij ook de Joden niet, die Hem belaagden. Zoiets was geen bewijs van zwakheid des Woords, doch openbaarde Hem integendeel als Heiland en Leven. Want Hij wachtte den dood af om Hem te vernietigen en Hij haastte zich om den dood, die Hem was aangedaan, tot aller redding te volbrengen. Bovendien kwam de Heiland niet om zijn eigen dood maar om dien der mensen te volbrengen. Daarom legde Hij het lichaam niet af door eigen dood (want dezen had Hij niet, daar Hij het Leven was); maar Hij nam dien van de mensen aan, opdat Hij, wanneer die in zijn lichaam gekomen was, hem volkomen zou vernietigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaBovendien kan men uit het volgende zien, hoe vanzelfsprekend het was, dat het lichaam des Heren zulk een einde verkreeg. Want de Heer droeg allermeest zorg voor de opstanding van zijn lichaam, die hij wilde doen plaatshebben. Want dat betekende, dat Hij haar als zegeteken tegen den dood aan allen wilde tonen en voor allen geloofwaardig wilde maken de wegneming der vergankelijkheid door Hem en voorts de onvergankelijkheid der lichamen. Als een onderpand daarvan voor allen en als een bewijs voor de opstanding, die bij allen zou plaatshebben, heeft Hij zijn lichaam onvergankelijk bewaard. Als het lichaam ziek was geweest en het Woord er zich ten aanschouwen van allen van had losgemaakt, dan was het ongepast geweest, dat Hij die de ziekten van anderen genas, onbekommerd zijn eigen werktuig in ziekten liet wegkwijnen. Want hoe zou Hij geloof hebben gevonden als degene, die anderer zwakheden uitdreef, wanneer zijn eigen tempel zwak was? Want Hij zou óf uitgelachen zijn, als onmachtig om een ziekte uit te drijven; óf, als Hij het wel kon en niet deed, zou Hij voor onmenslievend ook tegenover anderen gehouden worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 23. WAAROM HET LICHAAM DES HEREN DEN KRUISDOOD STERVEN MOEST (vervolg)
En wanneer Hij, zonder verband met enige ziekte of smart, zijn lichaam ergens voor zich alleen in een hoek of een eenzame plaats of thuis of waar dan ook verborgen had gehouden en daarna plotseling verschenen was en dan had gezegd dat Hij uit de doden was opgewekt; dan zouden allen den indruk hebben gekregen dat Hij fabelen vertelde en als Hij over de opstanding sprak, zou Hij veel minder geloof hebben gevonden, daar volstrekt niemand van zijn dood kon getuigen. Aan de opstanding moet de dood vooraf gaan, daar er geen opstanding zou zijn zonder voorafgaanden dood. Wanneer dus de dood des lichaams in het verborgene geschied ware, zodat de dood niet openbaar werd en niet in tegenwoordigheid van getuigen plaatsvond, dan zou ook de opstanding van dat lichaam onzichtbaar en zonder getuigen zijn geweest. Of waarom zou Hij wel na zijn opstanding de opstanding hebben verkondigd en toch den dood onzichtbaar hebben laten geschieden? Of waarom zou Hij wél de daemonen ten aanschouwen van allen hebben verdreven en den blindgeborene hebben doen zien en het water in wijn hebben veranderd, om daardoor te bewijzen dat Hij het Woord Gods was; en zou Hij niet ten aanschouwen van allen het sterfelijke als onvergankelijk betonen om daardoor te bewijzen dat Hij het Leven was? En hoe zouden ook zijn discipelen vrijmoedigheid hebben gehad om van zijn opstanding te spreken, als ze niet konden zeggen dat Hij eerst gestorven was? Of hoe zouden ze met hun zeggen, dat eerst de dood en daarna de opstanding plaatsgevonden had, geloof hebben gevonden, wanneer ze niet degenen, voor wie ze dat vrijmoedig uitspraken, als getuigen van den dood gehad hadden? Want wanneer de Farizeeërs van dien tijd het al niet wilden geloven, hoewel de dood en de opstanding zozeer voor aller ogen waren geschied maar wanneer ze zelfs hen, die de opstanding gezien hadden, wilden dwingen om haar te ontkennen; welke grote voorwendsels voor hun ongeloof zouden ze dan wel bedacht hebben, als dat in het verborgen was geschied! Hoe zou dus het einde van den dood en de overwinning er op bewezen zijn, als Hij den dood niet voor aller ogen had uitgedaagd en het bewijs had geleverd, dat hij dood en van nu af door de onsterfelijkheid des lichaams vernietigd was?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 24. WAAROM HET LICHAAM DES HEREN DEN KRUISDOOD STERVEN MOEST (vervolg)
Maar wat door anderen gezegd zou kunnen worden, moeten wij van te voren door onze verdediging weerleggen. Want misschien zou iemand ook dit kunnen zeggen: Wanneer zijn dood voor aller ogen en onder getuigen had moeten geschieden, opdat ook de boodschap der opstanding geloofd zou worden, dan had Hij zich een roemruchten dood moeten uitdenken om tenminste den smaad van het kruis te ontgaan. Maar wanneer Hij dat gedaan had, zou hij de verdenking op zich hebben geladen, dat Hij niet over elken dood macht bezat maar alleen over den dood dien Hijzelf had uitgedacht. Dan zou men weer in even sterke mate een voorwendsel hebben gehad om niet aan zijn opstanding te geloven. Daarom overkwam de dood aan zijn lichaam niet ten gevolge van zijn eigen daad maar ten gevolge van list, opdat de Heiland zelf dien dood zou vernietigen, dien zij Hem toebrengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZoals een edel worstelaar, die uitmunt door inzicht en dapperheid, niet zelf zijn tegenstanders uitkiest om niet de verdenking op zich te laden dat hij voor sommigen bevreesd is; maar zoals hij dat aan de toeschouwers overlaat, vooral als het vijanden zijn, opdat hij door de neerwerping van dengene, tegen wien ze hem laten strijden, voor sterker dan allen zou worden gehouden; zo heeft ook aller Leven, onze Heer en Heiland Christus, niet zelf een dood voor zijn lichaam bedacht, opdat Hij niet voor een anderen dood bevreesd zou schijnen; maar Hij heeft aan het kruis dien dood op zich genomen en verdragen, die Hem door anderen en nog wel door zijn vijanden werd aangedaan en dien zij vreselijk, smadelijk en afkeer inboezemend vonden. Hij deed dat, opdat Hij, door dien te vernietigen, zelf als het Leven zou worden geloofd en opdat de macht des doods volkomen zou teniet worden gedaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEr is dus iets wonderlijks en onverwachts geschied: juist die dood, dien ze Hem als een smaad meenden op te leggen, was een zegeteken tegen den dood zelf. Daarom onderging Hij ook niet den dood van Johannes, door onthoofding en ook werd Hij niet als Jesaja doorgezaagd (vgl. Hebr. 137), opdat Hij ook in den dood zijn lichaam ongedeeld en ongeschonden zou bewaren en degenen die de kerk willen verdelen, daartoe geen voorwendsel zouden hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 25. WAAROM HET LICHAAM DES HEREN DEN KRUISDOOD STERVEN MOEST (vervolg)
Dat is ons antwoord op de redeneringen, die door de buitenstaanders worden opgestapeld. Als nu ook een der onzen, niet als een twistgierige maar als een leergierige vorst, waarom hij geen anderen maar juist den kruisdood onderging, dan moet hij horen, dat het alleen op deze wijze tot ons nut was. Ook dit onderging de Heer terecht om onzentwil. Want zo Hij gekomen was om zelf de tegen ons gerichte vervloeking te dragen, hoe had die vervloeking Hem dan anders kunnen treffen, als Hij niet den dood op zich had genomen, die een gevolg der vervloeking is? Dat is de kruisdood. Want zo staat geschreven: 'Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt' (Gal. 3, 13)[b:Gal. 3, 13]. Bovendien, als de dood des Heren een losprijs voor allen is en door zijn dood 'de middelmuur des afscheidsels' (Ef. 2, 14)[b:Ef. 2, 14] opgeheven wordt en de roeping tot de heidenen komt; hoe zou Hij ons er dan bij hebben geroepen, als Hij niet gekruisigd was? Want alleen aan het kruis sterft men met uitgestrekte armen. Daarom betaamde het den Heer ook dat te ondergaan en zijn armen uit te strekken, opdat Hij met de ene het oude volk en met de andere die uit de heidenen trekken zou en beiden in zichzelf zou verenigen. Dat heeft Hij immers ook zelf gezegd, toen Hij aanduidde door welk een dood Hij allen zou verlossen. 'Wanneer ik verhoogd zal zij,' zegt Hij, 'zal ik allen tot mij trekken' (Joh. 12, 32)[b:Joh. 12, 32].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn ook, als de vijand van ons geslacht, de duivel, na uit den hemel gevallen te zijn, door de lucht hier beneden dwaalt en daar over zijn mede-daemonen als zijn gelijken in de ongehoorzaamheid bevel voert en door hen drogbeelden opwekt bij degenen die misleid worden en hen, die omhoog streven, tracht te verhinderen; dan zegt de apostel over hem: '... naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid' (Ef. 2, 2)[b:Ef. 2, 2]. Maar de Heer is gekomen om den duivel neer te werpen, de lucht te zuiveren en ons den opgang naar de hemelen te banen, gelijk de apostel gezegd heeft: 'door het voorhangsel, dat is, door zijn vlees' [b:Hebr. 10, 12). Dat moest geschieden door den dood. Door welken dood zou dat anders zijn geschied dan door den dood in de lucht, ik bedoel door het kruis? Want alleen wie aan het kruis zijn einde vindt, sterft in de lucht. Daarom onderging de Heer natuurlijk dien dood.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWant zo zuiverde Hij door zijn verhoging de lucht van alle list der daemonen, zeggende: 'Ik zag den satan als een bliksem vallen' (Lc. 10, 18)[b:Lc. 10, 18] en den opgang naar de hemelen baande Hij opnieuw, wederom zeggende: 'Verheft uw poorten, gij vorsten; heft u op, gij eeuwige deuren' (Ps 24, 7)[b:Ps 24, 7]. Want niet het Woord zelf, dat de Heer over alles is, had de opening der poorten nodig. Want niets geschapens is voor den schepper gesloten. Maar wij waren het, die dat nodig hadden, wij, die Hij door zijn lichaam omhoog heeft gedragen. Want zoals Hij het ten behoeve van allen aan den dood ten offer bracht, zo baande Hij daardoor ook den opgang naar de hemelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 26. WAAROM HET LICHAAM DES HEREN JUIST OP DEN DERDEN DAG WERD OPGEWEKT
Het was dus gepast en met het doel in overeenstemming, dat de dood aan het kruis geschiedde ten onzen behoeve. De oorzaak daarvan bleek in alle opzichten redelijk. Er waren gerechtvaardigde gronden, waarom de redding van allen op geen andere wijze dan door het kruis moest plaatshebben. En immers heeft Hij zich zelfs aan het kruis niet verborgen gehouden. Want Hij heeft de schepping overvloedig de aanwezigheid van haar schepper laten betuigen. Ook heeft Hij zijn tempel, het lichaam, niet lang laten rusten. Slechts bewees Hij, dat het in zijn strijd met den dood een lijk geworden was. Toen deed Hij het terstond op den derden dag verrijzen en droeg zo als tekenen van zijn zege en overwinning op den dood de onvergankelijkheid en smarteloosheid weg, die zich nu in zijn lichaam hadden voltrokken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWel had Hij terstond na den dood het lichaam kunnen opwekken en weder levend kunnen betonen. Maar ook dat heeft de Heiland uit wijze voorzienigheid niet gedaan. Want dan had iemand kunnen zeggen, dat het lichaam in 't geheel niet gestorven was, of dat de dood het niet volkomen had aangeraakt, als Hij terstond zijn opstanding had betoond. En wellicht zou de roem der onvergankelijkheid ook niet openbaar zijn geworden, als de opstanding binnen hetzelfde etmaal had plaatsgevonden. Derhalve liet het Woord, om te bewijzen dat het lichaam gestorven was, éen dag tussen beide en toonde het op den derden dag aan allen in zijn onvergankelijkheid. Dus deed Hij zijn lichaam ten derden dage opstaan om te bewijzen dat zijn lichaam dood was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar Hij wilde zijn lichaam ook niet later opwekken, wanneer het al lang gelegen had en geheel vergaan was; opdat men niet ongelovig zou menen, dat Hij niet hetzelfde, maar een ander lichaam droeg. Want iemand zou vanwege den tijdsduur aan het verschijnsel geen geloof kunnen hechten en het gebeurde kunnen vergeten. Daarom wachtte Hij niet langer dan drie dagen en stelde Hij het geduld dergenen, die van zijn opstanding hadden gehoord, niet lang op de proef. Maar terwijl in hun oren het woord nog naklonk, terwijl hun ogen er naar uitzagen, terwijl hun ziel nog gespannen was en terwijl zij, die Hem gedood hadden, nog op aarde leefden en ter plaatse waren en getuigden dat het lichaam des Heren gestorven was, toen toonde de Zoon van God zelf na een tijdsruimte van drie dagen zijn lichaam dat gestorven was, in onsterfelijkheid en onvergankelijkheid. Zo bewees Hij aan allen, dat het lichaam niet gestorven was krachtens een natuurlijke zwakheid van het inwonende Woord maar opdat daarin door de kracht van den Heiland de dood zou worden vernietigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 27. DE DOODSVERACHTING DER CHRISTENEN IS EEN BEWIJS VAN CHRISTUS' OVERWINNING OP DEN DOOD
Zo is de dood vernietigd en het kruis de overwinning er op geworden. Voortaan heeft hij geen kracht meer maar is zelf waarlijk dood. Een niet gering bewijs en een duidelijk blijk daarvan is het feit, dat hij door alle discipelen van Christus veracht wordt, dat allen hem aanvallen en hem niet meer vrezen maar door het teken des kruises en het geloof in Christus hem als een dode vertreden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVroeger immers, vóor de goddelijke komst van den Heiland, was de dood zelfs voor de heiligen schrikaanjagend. Allen beweenden de stervenden als mensen die moesten vergaan. Maar sinds de Heiland zijn lichaam heeft opgewekt, is de dood niet schrikaanjagend meer. Allen, die in Christus geloven, treden hem met voeten, als éen die niets is en willen liever sterven dan het geloof in Christus verloochenen. Want zij weten zeker, dat zij bij hun dood niet ondergaan maar leven en door de opstanding onvergankelijk worden. Alleen de duivel, die voorheen ons boosaardig met den dood besprong, is werkelijk dood gebleven, nu de smarten des doods ontbonden zijn. (Hand. 2, 24)[[b:Hand. 2, 24]] En een teken daarvan is het feit dat de mensen, voordat ze in Christus geloofden, den dood als iets schrikwekkends zagen en hem vreesden; maar nadat ze in Hem en zijn leer zijn gaan geloven, verachten zij den dood zozeer, dat ze zelfs gaarne zich er in storten en getuigen worden van de opstanding die door den Heiland tegen hem tot stand is gebracht. Want zelfs wie naar den leeftijd nog kleine kinderen zijn, haasten zich om te sterven en niet alleen mannen maar ook vrouwen leggen zich op de worsteling tegen hem toe. Zo zwak is hij geworden, dat ook de vrouwen die eerst door hem bedrogen waren, nu met hem spotten als met een dode en machteloze.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is er mee als met een tyran, die in den oorlog door een wettigen koning overwonnen en aan handen en voeten gebonden is. Van nu af bespotten, slaan en honen hem alle voorbijgangers. Zij vrezen nu zijn razernij en wildheid niet meer om den koning, die hem overwonnen heeft. Zo is het ook met den dood, die door den Heiland aan het kruis overwonnen en te schande gemaakt is en aan handen en voeten is gebonden. Nu treden hem alle christenen, die voorbijgaan, met hun voeten. Door van Christus te getuigen, bespotten ze den dood. Ze honen hem met hun woorden en spreken tegen hem de boven aangehaalde Bijbelwoorden: 'Dood, waar is uw overwinning? Hel, waar is uw prikkel?' (1 Kor. 15, 55)[b:1 Kor. 15, 55]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 28. DE DOODSVERACHTING DER CHRISTENEN IS EEN BEWIJS VAN CHRISTUS' OVER WINNING OP DEN DOOD (vervolg)
Is dat soms een gering bewijs van de zwakheid des doods? Of is het een gering blijk van de overwinning, die de Heiland op hem heeft behaald, wanneer de in Christus gelovende knapen en jonge meisjes het leven hier verachten en zich op het sterven toeleggen? Van nature is de mens immers bang voor den dood en voor de ontbinding des lichaams. Maar het wonderbaarlijkste is dit, dat hij die het geloof in het kruis heeft aangenomen, ter wille van Christus ook het natuurlijke veracht en den dood niet vreest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is er mee als met het vuur, tot welks natuur het branden behoort. Iemand zou kunnen zeggen, dat er iets bestaat, dat zijn verbrandende werking niet vreest maar integendeel er de machteloosheid van bewijst, zoals immers gezegd wordt van het amiant N.v.d.v.: Amiant is een soort...N.v.d.v.: Amiant is een soort asbest. der Indiërs. Als iemand, die de bewering niet gelooft, nu de proef met het gezegde wil nemen, dan kleedt hij zich natuurlijk in de onbrandbare stof en stelt haar aan het vuur bloot. Zo wordt hij dan overtuigd van de machteloosheid van het vuur. Of het is er mee als met iemand, die den tyran gebonden zou willen zien. Natuurlijk gaat hij dan naar het land en gebied van den overwinnaar en ziet hoe hij, die anderen schrik aanjoeg, machteloos geworden is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo is het er mee als iemand ongelovig is en het nog altijd is, ondanks zo grote dingen en ondanks dat er zovele getuigen van Christus zijn opgetreden en ondanks den spot, die dagelijks tegen den dood gericht wordt door hen, die met hun christenhouding uitblinken. Als hij dan toch nog in zijn hart twijfelt, of de dood wel vernietigd is en een einde gevonden heeft, dan verwondert hij zich met recht over zo iets groots. Maar hij moet niet hardnekkig blijven in zijn ongeloof en zich niet onbeschaamd tegen zulke duidelijke feiten verzetten. Maar zoals hij, die het asbest genomen heeft, vaststelt dat het vuur dit niet in brand kan steken en hij die den tyran gebonden wil zien, naar het gebied van den overwinnaar gaat; zo moet ook hij die niet aan de overwinning op den dood gelooft, het geloof in Christus nemen en naar diens onderricht gaan. Dan zal hij de machteloosheid des doods en de overwinning er op zien. Want velen die eerst ongelovigen en spotters waren, hebben later, tot het geloof gekomen, den dood zozeer veracht, dat zij ook getuigen van Christus werden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 29. DE DOODSVERACHTING DER CHRISTENEN IS EEN BEWIJS VAN CHRISTUS' OVERWINNING OP DEN DOOD (vervolg)
Wanneer door het teken des kruises en het geloof in Christus de dood vertreden wordt, zo is het naar het oordeel der waarheid duidelijk, dat niemand anders dan Christus zelf de tekenen van zege en overwinning op den dood heeft vertoond, en hem krachteloos heeft gemaakt. En als de dood vroeger wel macht bezat en daarom schrik aanjoeg, maar nu, na de indaling van den Heiland en na den dood en de opstanding van zijn lichaam, veracht wordt, dan is het duidelijk dat juist door dien Christus, die het kruis beklom, de dood vernietigd en overwonnen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is er mee, als wanneer na den nacht de zon opkomt en heel het rond der aarde er door wordt verlicht. Dan is het volstrekt niet twijfelachtig, dat dezelfde zon, die alom het licht heeft uitgestraald, ook de duisternis heeft verdreven en alles heeft verlicht. Zo is het ook, nu de dood wordt veracht en vertreden, sinds de reddende verschijning van den Heiland en het einde des kruises plaats heeft gehad. Het is nu duidelijk, dat dezelfde Heiland, die in het lichaam verschenen is, ook den dood heeft vernietigd en dagelijks in zijn volgelingen de tekenen van zijn overwinning op den dood betoont. Want als men ziet, hoe mensen, die van nature zwak zijn, zich in den dood werpen en niet terugdeinzen voor zijn vernietigende macht, noch bang zijn voor de afdaling in het dodenrijk maar hem met onverschrokken gemoed uitdagen en door geen folteringen worden af geschrikt maar integendeel om Christus' wil aan den aanval op den dood de voorkeur geven boven dit leven; of als men toeschouwers wordt van het feit, dat mannen, vrouwen en kleine kinderen door hun christelijke godsvrucht naar den dood snellen en zich er in werpen; wie is dan zo onnozel of wie is zo ongelovig en wie is zo verhard van hart, dat hij niet begrijpt en bedenkt, dat dezelfde Christus van wien deze mensen getuigen, aan elk de overwinning op den dood verschaft en schenkt, doordat Hij hem krachteloos maakt in elk van degenen die in Hem geloven en die het teken des kruises dragen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWant ook wie ziet, dat de slang vertrapt wordt, twijfelt van nu af niet, daar hij haar vroegere gevaarlijkheid heel goed kent, of ze dood en geheel krachteloos gemaakt is, tenzij zijn verstand verbijsterd is en ook zijn lichamelijke zintuigen niet normaal zijn. Want wie die ziet, hoe een leeuw door kinderen wordt bespot, begrijpt niet dat hij óf dood is óf al zijn kracht verloren heeft? Zoals het nu voor de ogen mogelijk is, te zien dat deze dingen waar zijn, zo moet niemand meer, nu de dood door de gelovigen in Christus wordt bespot en veracht, langer in ongeloof blijven betwijfelen, dat de dood door Christus is vernietigd en dat zijn verderf opgeheven en verdwenen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 30. DE UITBREIDING VAN HET CHRISTENDOM IS EEN BEWIJS VAN CHRISTUS' OVERWINNING OP DEN DOOD
Het voorgaande is dus geen gering bewijs daarvan, dat de dood vernietigd is en dat het kruis des Heren het zegeteken daar tegen is. Dat er bovendien een onsterfelijke opstanding des lichaams heeft plaatsgehad door Christus, die aller Heiland en het ware Leven is- daarvan zijn de zichtbare dingen een duidelijker bewijs dan de woorden, voor hen wier blik en verstand normaal zijn. Want als de dood vernietigd is (zoals onze redenering aantoonde) en allen hem door Christus met voeten treden, dan heeft Hijzelf zoveel te meer als eerste hem met zijn lichaam vertreden en vernietigd. En wat moest er, toen de dood door Hem gedood was, anders geschieden, dan dat het lichaam opstond en als zegeteken er tegen werd getoond? Want hoe zou gebleken zijn dat de dood vernietigd was, als het lichaam des Heren niet was opgestaan? Maar voor het geval dit bewijs van zijn opstanding voor iemand niet genoeg is, moet het gezegde ook worden bewezen uit wat openlijk is geschied.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAls iemand immers dood is, kan hij niets uitrichten. Zijn roem gaat slechts tot het graf en is van dan af uit. Alleen de levenden kunnen iets doen en op de mensen invloed uitoefenen. Laat dus ieder, die wil, toezien en uit wat hij ziet, de waarheid beoordelen en erkennen. Want de Heiland bewerkt onder de mensen zo grote dingen, dat hij dagelijks, zonder zelf zichtbaar te zijn, zulk een grote menigte overal vandaan, uit de bewoners van Griekenland en het buitenland, overreedt om over te gaan tot het geloof in Hem en om allen zijn leer te gehoorzamen. Kan dan nog iemand in zijn hart blijven twijfelen, of er een opstanding door den Heiland heeft plaatsgehad en of Christus leeft, meer nog: of Hijzelf het Leven is? Kan een dode soms op de geesten der mensen zulk een dwang ui toef enen, dat ze de zeden der vaderen verloochenen en de leer van Christus aanbidden? Of als Hij zelf niet werkt (want dat is de eigenschap van een dode), hoe kan Hij dan hen, die wel werken en leven, met het werk doen ophouden, zodat de echtbreker niet langer den echt breekt, de moordenaar niet langer moordt, de onrechtvaardige niet langer bedriegt en de goddeloze voortaan vroom wordt? En als Hij niet is opgestaan maar dood is, hoe kan Hij dan zelf de valse goden, waarvan de ongelovigen zeggen, dat ze leven en de daemonen, die vereerd worden, verdrijven, najagen en neerwerpen? N.v.d.v.: Athanasius...N.v.d.v.: Athanasius zinspeelt hier op de macht die bepaalde personen in de oude Kerk bezaten, om door het kruisteken en het noemen van Christus' naam duivelen uit te werpen (vgl. Hand. 16, 18 en 19, 13-16). Blijkbaar kwam dit verschijnsel, het zogenaamde exorcisme, ook in Athanasius' dagen nog voor. Herhaaldelijk komt hij er op terug (hoofdstuk 47, 48, 53 en 55) Want waar Christus en het geloof in Hem wordt genoemd, daar wordt alle af godendienst vernietigd en alle daemonenbedrog ontmaskerd. Geen daemon kan zijn naam verdragen maar bij het horen alleen al gaat hij op de vlucht. Dat is geen werk van een dode maar van een levende en allermeest van God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet zou buitengewoon belachelijk zijn om te zeggen dat de door Hem verjaagde daemonen en de vernietigde af goden leven maar om van Hem, die hen verdreef en die door zijn macht maakte, dat ze niet meer verschenen maar die ook door allen als Zoon Gods beleden wordt om van dezen te zeggen, dat hij dood is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 31. DE HISTORISCHE WERKINGEN ZIJN EEN BEWIJS VAN CHRISTUS' OPSTANDING
Zij die niet in de opstanding geloven, dragen een sterken bewijsgrond tegen zich aan, wanneer alle daemonen en allen die door hen als goden vereerd worden, dien Christus, dien zij dood noemen, niet verdrijven kunnen maar wanneer integendeel Christus hen allen als dood ontmaskert.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWe nemen aan, dat een dode niets doet. Maar de Heiland doet dagelijks zulke grote dingen, trekkende tot vroomheid, overredende tot deugd, lerende aangaande de onsterfelijkheid, voerende tot begeerte naar de hemelse dingen, openbarende de kennis omtrent den Vader, bezielende met de kracht tegen den dood, aan elk zichzelf tonende en de goddeloosheid der af goden vernietigende. Geen van deze dingen kunnen de goden en daemonen, die de ongelovigen hebben. Integendeel: door de komst van Christus worden zij doden, omdat hun uiterlijke schijn werkeloos en ijdel is. Door het teken des kruises houdt alle magie op, alle tovenarij wordt tenietgedaan, alle af goden worden beroofd en verlaten, alle redeloze lust houdt op en elkeen blikt van de aarde op naar den hemel. Wien moet men dan dood noemen? Christus, die zulke grote dingen heeft gedaan? Maar het is geen eigenschap van een dode om iets te doen! Of hem, die in het geheel niets doet maar zielloos ter neer ligt? Dat is de eigenschap der daemonen en af goden, daar ze dood zijn!
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWant omdat de Zoon Gods levend en werkzaam is, werkt Hij dagelijks en bewerkt Hij aller redding. Maar van den dood wordt dagelijks de krachteloosheid bewezen. En van de af goden en daemonen wordt veeleer dagelijks bewezen, dat ze dood zijn. Daarom kan op dien grond niemand meer twijfelen aan de opstanding van zijn lichaam. Hij die niet gelooft aan de opstanding van het lichaam des Heren, schijnt de kracht van Gods
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWoord en Wijsheid niet te kennen. Want als Hij werkelijk een lichaam heeft aangenomen en Zich dit heeft toegeëigend op de bij Hem passende wijze (gelijk ons betoog aantoonde), wat moest de Heer er dan mee doen? Hoe moest het einde des lichaams zijn, nadat het Woord er zich eenmaal mee verenigd had? Het was onmogelijk, dat het niet zou sterven, daar het sterfelijk was en voor allen in den dood geofferd werd. Terwille daarvan bereidde de Heiland het zich toe. Maar het kon niet dood blijven, omdat het de tempel des Levens geworden was. Daarom stierf het wel, daar het sterfelijk was. Maar het herleef de door het er in wonende Leven. En een bewijs van de opstanding zijn de werken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 32.DE HISTORISCHE WERKINGEN ZIJN EEN BEWIJS VAN CHRISTUS' OPSTANDING (vervolg)
Wanneer de opstanding niet geloofd wordt omdat ze niet gezien wordt, let dan op, hoe de ongelovigen daarmee ook het natuurlijke loochenen. Want het is een eigenschap Gods om niet gezien te worden maar uit de werken te worden gekend, gelijk ook boven is gezegd. Als nu de werken ontbreken, dan hechten ze terecht geen geloof aan het onwaarneembare; maar als de werken luide roepen en klaar bewijzen, waarom loochenen zij dan moedwillig het zo klaarblijkelijke leven der opstanding? Want al zijn ze dan ook verblind van verstand, zo is toch met de uitwendige zintuigen de onweersprekelijke kracht en Godheid van Christus te zien. Immers weet ook een blinde, al ziet hij de zon niet, toch, dat de zon boven de aarde staat, daar hij de door haar uitgestraalde warmte gevoelt. Zo is het ook met de tegensprekers. Al geloven ze nog niet en zijn ze nog altijd blind voor de waarheid, toch komen ze in aanraking met de kracht van anderen, die wel geloven. Daarom moeten ze de Godheid van Christus en de opstanding, die Hij heeft teweeggebracht, niet loochenen. Want het is duidelijk, dat Christus de daemonen niet zou hebben verjaagd en de afgoden niet zou hebben beroofd, als Hij dood was geweest. Want een dode zouden de daemonen niet hebben gehoorzaamd. Maar als ze openlijk verjaagd worden door het noemen van zijn naam, dan is het duidelijk, dat Hij niet dood is; vooral omdat de daemonen, die zien wat voor de mensen onzichtbaar is, in staat waren te weten of Hij dood was en Hem in 't geheel niet behoef den te gehoorzamen. Maar nu zien de daemonen, wat de goddelozen niet geloven, namelijk dat Hij God is en daarom slaan ze voor Hem op de vlucht en vallen ze voor Hem neer, zeggende wat ze ook uitriepen toen Hij in het lichaam was- : 'Wij weten wie Gij zijt; de Heilige Gods' (Mc. 1, 24)[b:Mc. 1, 24]. En: 'Laat af, wat hebt Gij met ons te doen, Zoon Gods? Ik bid U, dat Ge mij niet pijnigt' (Mc. 5, 7)[b:Mc. 5, 7]. Derhalve, daar de daemonen het belijden en de werken er dagelijks getuigenis van afleggen, is het duidelijk en niemand moet zich onbeschaamd tegen de waarheid verzetten dat de Heiland zijn lichaam heeft opgewekt en dat Hij de waarachtige Zoon Gods is, die uit Hem als uit den Vader het eigen Woord en de Wijsheid en de Kracht is, die later tot redding van allen een lichaam heeft aangenomen, die de wereld aangaande den Vader heeft onderricht, die den dood heeft vernietigd, die aan allen door de belofte der opstanding de onvergankelijkheid heeft geschonken en die als eersteling daarvan zijn eigen lichaam heeft opgewekt en die dat in het teken des kruises heeft getoond als zegeteken tegen den dood en zijn vergankelijkheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 33. TEGEN DE JODEN. HET OUDE TESTAMENT VOORZEGT DE KOMST VAN CHRISTUS
Daar nu deze dingen zo zijn en daar het bewijs voor de opstanding des lichaams en voor de overwinning van den Heiland op den dood duidelijk is welaan, laat ons ook het ongeloof der Joden en den spot der Grieken weerleggen. Want op gelijke wijze beantwoorden de Joden deze dingen met ongeloof en de Grieken met gelach, daar ze spotten over de ongepastheid van het kruis en van de menswording van het God-Woord. Maar ons betoog zal niet aarzelen om op beide in te gaan, daar het in het bijzonder over duidelijke bewijzen tegen deze standpunten beschikt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe ongelovige Joden hebben de weerlegging in de Schriften, die ze ook zelf lezen, daar van het begin tot het slot eenvoudigweg heel de van God ingegeven Schrift daarover luide spreekt, zoals uit de woorden zelf duidelijk blijkt. Want van ouds af hebben de profeten te voren getuigd aangaande het wonder met de maagd en de geboorte die uit haar is geschied, daar zij zeiden: 'Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren (Jes. 7, 14)[b:Jes. 7, 14]. En men zal zijn naam heten Emmanuel, hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons' (Mt. 1, 23)[b:Mt. 1, 23]. En Mozes, die waarlijk groot was en bij hen als een waarachtige geloof vindt, heeft dit woord over de menswording van den Heiland voor belangrijk gehouden en als waar erkend, en daarom neergeschreven: 'Er zal een ster opkomen uit Jakob en een mens uit Israël en Hij zal de leidslieden van Moab verslaan' (Num. 24, 17)[b:Num. 24, 17]. En ook: 'Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uwe woningen, Israël! Gelijk schaduwgevende wouddalen, gelijk hoven aan rivieren, gelijk tenten die de Here heeft opgeslagen, gelijk cederbomen aan wateren. Een mens zal uit zijn zaad voortkomen, en zal heersen over vele volkeren' (Num. 24, 5 v.)[b:Num. 24, 5]. En ook Jesaja: 'Eer het jongetje kan roepen "vader" of "moeder", zal Hij de macht van Damascus en den buit van Samaria nemen in het aangezicht van den koning der Assyrirs' (Jes. 8, 4)[b:Jes. 8, 4]. Dat er dus een mens zal verschijnen, wordt door deze uitspraken aangekondigd. Dat de komende een Heer over alles zal zijn, voorspellen ze ook, met deze woorden: 'Zie, de Here zit op een lichte wolk, en zal in Egypte komen, en de werken van mensenhanden in Egypte zullen bewogen worden' (Jes. 19, 1)[b:Jes. 19, 1]. Want vandaar roept de Vader Hem ook terug, zeggende: 'Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen' (Hos. 1, 1)[b:Hos. 1, 1].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 34. HET OUDE TESTAMENT VOORZEGT DEN DOOD VAN CHRISTUS
Ook zijn dood is niet verzwegen maar wordt zeer helder in de goddelijke Schriften aangekondigd. Want zij hebben ook niet geschroomd, de oorzaak des doods te noemen, dat Hij dien niet om zichzelf maar voor de onsterfelijkheid en redding van allen verdroeg en den list der Joden en de smaadheden, die ze Hem hebben aangedaan; opdat niemand van hen misleid zou worden en niet op de hoogte zou zijn van het gebeurde. Zij zeggen dan: 'Hij was een mens in smart, die zwakheid wist te dragen, omdat zijn aangezicht is af gewend; Hij werd veracht en niet geteld. Deze draagt onze zonden en lijdt smarten voor ons. Wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, geslagen en verdrukt was. Maar Hij is om onze zonden verwond; om onze ongerechtigheden is Hij zwak geworden. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door zijn striemen is ons genezing geworden' (Jes. 53, 3 v.v.)[b:Jes. 53, 3]. Verwonder u over de liefde des Woords, dat Hij om ons gesmaad werd, opdat wij geëerd zouden worden. Want hij zegt: 'wij dwaalden allen als schapen, de mens is op zijn weg verdwaald; en de Here heeft Hem aan onze zonden overgeleverd, en zelf doet Hij zijn mond om de mishandeling niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerder, zo doet Hij zijn mond niet open. In zijn vernedering werd zijn oordeel opgeheven' (Jes. 63, 6 v.v.)[b:Jes. 53, 6]. Vervolgens, opdat niemand Hem op grond van zijn lijden voor een gewoon mens zou houden, neemt de Schrift van te voren de vermoedens der mensen weg en verhaalt zijn macht en het verschil tussen zijn natuur en de onze, met deze woorden: 'Wie zal zijn geslacht verhalen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen. Door de ongerechtigheden des volks werd Hij ter dood gebracht. En ik zal de bozen geven voor zijn begrafenis, en de rijken voor zijn dood, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in zijn mond gevonden werd. En de Here wil Hem reinigen van zijn wonde' (Jes. 53, 8 v.v.)[b:Jes. 53, 8].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 35. HET OUDE TESTAMENT VOORZEGT HET KRUIS VAN CHRISTUS EN DE MAAGDELIJKE GEBOORTE
Maar nu ge van de profetie aangaande den dood hebt gehoord, begeert ge misschien ook te weten, wat over het kruis wordt voorzegd. Want ook dat is niet verzwegen. Het is zeer duidelijk door de heiligen geopenbaard. Mozes is de eerste, die het met luider stem aldus aankondigt: 'Gij zult uw leven zien hangen voor uw ogen, en gij zult het niet geloven' (Deut. 28, 66)[b:Deut. 28, 66]. Ook de profeten na hem getuigen daarvan, zeggende: 'Gelijk een onschuldig lam, dat ter slachting geleid wordt, wist ik het niet. Een bozen raadslag bedachten zij tegen mij, zeggende: "komt, laat ons hout in zijn brood werpen, en laat ons Hem uit het land der levenden verdelgen" (Jer. 1, 19)[b:Jer. 1, 19].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn ook: 'Zij hebben mijn handen en voeten doorboord; zij hebben al mijn beenderen geteld; zij hebben mijn klederen onder zich verdeeld, en over mijn gewaad hebben zij het lot geworpen' (Ps. 22, 17 v.v.)[b:Ps. 22, 17]. Een dood hoog in de lucht en aan het hout kan geen andere zijn dan het kruis. En ook worden bij geen enkelen dood handen en voeten doorboord dan alleen bij het kruis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDaar door de komst van den Heiland ook alom alle heidenen God begonnen te leren kennen, hebben ze ook dat niet onvoorzegd gelaten. Ook daarvan wordt in de heilige Schriften melding gemaakt. Want hij zegt: 'De wortel van Isaï zal er zijn, en Hij die opstaat om te heersen over de heidenen. Op Hem zullen de heidenen hopen' (Jes. 11, 10)[b:Jes. 11, 10].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDat is slechts weinig ten bewijze van het gebeurde. Maar heel de Schrift is vol weerlegging van het ongeloof der Joden. Want wie van de rechtvaardigen en heilige prof eten en aartsvaders, wier geschiedenis in de goddelijke Schriften wordt verhaald, heeft ooit de geboorte alleen uit een maagd ontvangen? Of welke vrouw was zonder man in staat om mensen voort te brengen? Is Abel niet uit Adam gesproten, Henoch uit Jared, Noach uit Lamech, Abraham uit Terah, lzaak uit Abraham en Jakob uit Izaak? Is Juda niet uit Jakob en Mozes en Aaron uit Amram? Is Samuel niet uit Elkana gesproten, David uit Isai, Salomo uit David, Hiskia uit Achaz, Josia uit Amon, Jesaja uit Amos, Jeremia uit Hilka, Ezechiel uit Buzi? Heeft niet ieder den verwekker zijner geboorte tot vader gehad? Wie is dan degene, die alleen uit een maagd is geboren? Want den profeet lag er zeer veel aan om dezen aan te kondigen. Aan wiens geboorte ging een ster aan den hemel vooraf, die den geborene aan de wereld aanwees? Want Mozes werd bij zijn geboorte door zijn ouders verborgen. Van David wisten ook de naburen niet af, daar ook de grote Samuel hem niet kende, maar navroeg, of er nog een andere zoon van Isaï was. En ook Abraham werd pas, toen hij groot was, bij zijn omgeving bekend. Maar van Christus' geboorte was niet een mens getuige, doch een ster die aan den hemel verscheen, vanwaar Hij ook af daalde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 36. AL DEZE VOORZEGGINGEN ZIJN NIET VERVULD ONDER HET OUDE TESTAMENT
Welke koning heeft ooit, voordat hij 'vader' of 'moeder' kon zeggen, de regering aanvaard en zegetekenen tegen de vijanden behaald? Heeft niet David op dertigjarigen leeftijd en Salomo als jongeling de regering aanvaard? Is niet Joas zeven jaar oud tot het koningschap gekomen en heeft niet nog later Josia, omstreeks zeven jaar oud, de heerschappij overgenomen? Maar toch konden ook zij, toen ze op dien leeftijd waren, 'vader' en 'moeder' zeggen. Wie is dan hij, die bijna reeds voor zijn geboorte koning is en de vijanden berooft? Wie is zulk een koning in Israël geweest (laten de Joden die het doorvorst hebben, dat eens zeggen!), op wien de heidenen al hun hoop hebben gevestigd en in wien ze vrede hadden? Verzette men zich niet veeleer van alle zijden tegen hen? Want zolang Jeruzalem stond, was er een onverzoenlijke oorlog met hen en allen streden tegen Israël. De Assyriërs verdrukten hen, de Egyptenaren vervolgden hen, de Babyloniërs overvielen hen. En - wat verwonderlijk is- ook de naburige Syriërs hadden zij in den oorlog tot tegenstanders. Heeft ook David geen oorlog tegen de Moabieten gevoerd en heeft hij de Syriërs niet verslagen? Is Josia niet voor zijn naburen op zijn hoede geweest en heeft Hiskia niet de grootspraak van Sanherib gevreesd? Heeft Amalek niet met Mozes gestreden en hebben de Amorieten zich niet tegen hem verzet? Hebben de bewoners van Jericho niet het hoofd geboden aan Josua den zoon van Nun? Is de houding der heidenen tegenover Israël niet geheel onverzoenlijk geweest? Het is dus waard om te onderzoeken, wie degene is, op wien de heidenen hun hoop vestigen. Want er moet er éen zijn, daar het ook onmogelijk is, dat de profeet zou liegen. Wie van de heilige profeten of van de oude aartsvaders is tot aller redding aan het kruis gestorven? Of wie werd verwond en gedood tot aller gezondmaking? Wie van de rechtvaardigen of van de koningen is naar Egypte gekomen, zodat door zijn komst de af goden van Egypte gevallen zijn? Abraham is er wel gekomen, maar de af godendienst behield bij allen zijn kracht. Mozes is daar geboren, maar desniettemin bleven de dwalenden daar bij hun afgoderij.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 37. DEZE VOORZEGGINGEN ZIJN ALLEEN IN CHRISTUS VERVULD
Wie van degenen die in de Schrift vermeld worden, werd aan handen en voeten doorboord, of heeft zelfs aan een hout gehangen en heeft aan een kruis zijn leven beëindigd om allen te redden? Abraham is op een bed gestorven. En ook Izaak en Jakob stierven, nadat ze hun benen op een bed hadden uitgestrekt. Mozes en Aäron zijn op den berg gestorven; David in huis, hij was geen slachtoffer van een aanslag door het volk; hoewel hij door Saul werd gezocht, bleef hij toch ongedeerd. Jesaja werd wel doorgezaagd maar heeft niet aan een hout gehangen. Men vergreep zich aan Jeremia maar hij werd niet ter dood veroordeeld en gevonnist. Ezechiël heeft geleden maar niet ten behoeve van het volk, doch omdat hij voorzeide wat over het volk komen zou.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaBovendien waren dezen, die leden, mensen, net als allen, door de gelijkheid der natuur. Maar Hij van wien in de Schriften voorspeld wordt, dat Hij voor allen zal lijden, wordt niet gewoon een mens maar aller Leven genoemd, hoewel Hij in natuur den mensen gelijk was. Want er staat: 'Gij zult uw leven zien hangen voor uw ogen' (Deut. 28, 66)[b:Deut. 28, 66] en 'Wie zal zijn afkomst verhalen?' (Jes. 53, 8)[b:Jes. 53, 8]. Want van al de heiligen kan men, als men de afkomst nagespeurd heeft, van het begin af verhalen waar elk zijn oorsprong heeft. Maar van Hem die het Leven is, wijzen de goddelijke woorden de afkomst als onverhaalbaar aan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWie is het dus, over wien de goddelijke Schriften dat zeggen? Wie is zo groot, dat ook de profeten over Hem zulke grote dingen voorspellen? Er wordt immers in de Schriften geen ander gevonden dan aller Heiland, het God-Woord, onze Here Jezus Christus. Hij is het immers, die uit de maagd voortkwam en als mens op aarde verscheen en wiens vleselijke afkomst onverhaalbaar is. Want niemand kan zijn vleselijken vader noemen, daar zijn lichaam niet uit een man maar alleen uit een maagd is. Evenals men dus van David en van Mozes en van alle aartsvaders de namen der vaders kan optellen, zo kan niemand des Heilands vleselijke afkomst uit een man verhalen. Hij is het immers, die ook maakte dat de ster de lichamelijke geboorte aankondigde. Want het Woord dat uit den hemel neerkwam, moest ook uit den hemel zijn aankondiging hebben. En nu de koning der schepping optrad, moest Hij duidelijk door heel de schepping gekend worden. Zo werd Hij dan in Judea geboren en van Perzië kwam men om Hem te aanbidden. Hij is het, die ook vóór zijn lichamelijke verschijning, de overwinning behaalde op de vijandige daemonen en over de afgoderij zegevierde. Overal immers zweren de heidenen de voorvaderlijke gewoonte en de goddeloosheid der af goden af, stellen voortaan op Christus hun hoop en wijden zich aan Christus, zoals men dat ook voor zijn ogen kan zien. Want de goddeloosheid der Egyptenaren is niet eerder opgehouden, dan toen de Heer van alles, als voer Hij op een wolk, in het lichaam daar kwam, de afgodische dwaling vernietigde en allen tot zich en door zich tot den Vader bracht. Hij is het, die gekruisigd werd ten aanschouwen van de zon en de schepping en degenen die Hem den dood aandeden. En door zijn dood is het heil tot allen gekomen en is heel de schepping verlost. Hij is het Leven van allen. Hij is het, die gelijk een schaap, tot aller redding, zijn lichaam tot een prijs voor aller leven aan den dood overgaf, al geloven de Joden het niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 38. OOK ANDERE VOORZEGGINGEN ZIJN PAS IN CHRISTUS VERVULD
En als ze dat niet voldoende vinden, laten ze dan overtuigd worden door andere uitspraken die ze zelf bezitten. Over wien immers zeggen de profeten: 'Ik ben zichtbaar geworden voor hen die mij niet zochten, ik ben gevonden door die naar mij niet vroegen. Ik heb gezegd: zie hier ben Ik, tot het volk dat mijn naam niet heeft genoemd. Ik heb mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en wederstrevig volk' (Jes. 65:1, 2). Wie is hij dan, die zichtbaar geworden is? zou men aan de Joden kunnen vragen. Als het de profeet is, laten ze dan zeggen wanneer hij zich verborgen heeft om zich naderhand te vertonen. Wat is dat voor een profeet, die ook zichtbaar is geworden na onzichtbaar te zijn geweest en die zijn handen heeft uitgestrekt aan het kruis? Geen van de rechtvaardigen, alleen het Woord Gods, dat van nature onlichamelijk was en voor ons in het lichaam verschenen is en voor allen geleden heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOf, als ook dat hun niet voldoende is, laten ze dan nog door andere uitspraken beschaamd worden, daar ze zien hoe duidelijk het bewijs is. Want de Schrift zegt: 'Versterkt u, slappe handen en afgematte knieën. Vertroost u, gij kleinmoedigen. Versterkt u, vreest niet. Zie onze God vergeldt het oordeel, Hij zal komen, en ons redden. Dan zullen de ogen der blinden geopend worden, en de oren der doven zullen horen. Dan zal de lamme springen als een hert, en de tong der stamelenden zal duidelijk spreken' (Jes. 35, 3-6)[b:Jes. 35, 3-6].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat kunnen ze nu daarover zeggen? Hoe wagen zij dit woord zelfs in het gezicht te zien? Want de profetie verkondigt het komen Gods en de tekenen openbaren den tijd van de komst. Want dat de blinden zien, de lammen wandelen, de doven horen en de tong der stamelenden duidelijk spreekt, zeggen zij over den tijd van het komen Gods. Wanneer zijn er dan zulke grote tekenen in Israël geschied? Of laten ze eens zeggen, waar zo iets groots in Juda is geschied. De melaatse Naäman werd gereinigd. Maar geen dove hoorde en geen lamme wandelde. Elia en Elisa hebben doden opgewekt. Maar geen blindgeborene ontving het gezicht. Ook de opwekking van een dode is voorwaar iets groots maar niet zo groot als het wonder van den Heiland. Maar wanneer de Schrift dat over den melaatse en den doden zoon der weduwe niet verzwegen heeft, dan zou het Woord ook niet hebben nagelaten te vermelden, wanneer een lamme wandelde en een blinde zag. Daar dit in de Schriften verzwegen is, is het duidelijk dat het niet eerder is voorgekomen. Wanneer is dat dan anders gebeurd, dan toen het Woord Gods zelf in een lichaam verscheen? Wanneer is het dan anders verschenen, dan toen lammen wandelden, stamelenden duidelijk spraken, doven hoorden en blindgeborenen het gezicht ontvingen? Dit zeiden ook de Joden die het toen zagen, daar ze niet gehoord hadden dat dit ooit gebeurd was: 'Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft. Indien deze van God niet ware, Hij zou niets kunnen doen' (Joh. 9, 32 v.)[b:Joh. 9, 32].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 39. DEZE VOORSPELLINGEN KUNNEN NIET OP EEN VERRE TOEKOMST SLAAN
Maar misschien zullen ze, omdat ze de duidelijke feiten niet kunnen bestrijden, het geschrevene niet loochenen, doch bevestigen dat ze dat ook zelf verwachten en dat het God-Woord nog niet verschenen is. Door dit voor en na te beweren, durven ze zich onbeschaamd tegen de. duidelijke feiten te verzetten. Maar op dit punt zullen ze allereerst meer dan door ons, overtuigd worden door den zeer wijzen Daniël, die ook den tegenwoordigen tijd en de goddelijke komst van den Heiland aankondigt en zegt: 'Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over de heilige stad, om de zonde te voleindigen en om de zonden te verzegelen, om de ongerechtigheden uit te wissen en om de ongerechtigheden te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, om het gezicht en den profeet te verzegelen, en om den heilige der heiligen te zalven. Zo zult gij weten en verstaan vanaf den uitgang des woords over het heengaan en het bouwen van Jeruzalem, totdat de Messias als leider optreedt' (Dan. 9, 24 v.)[b:Dan. 9, 24]. Misschien kunnen ze bij de andere uitspraken nog voorwendsels vinden om het geschrevene naar een komenden tijd uit te stellen. Maar wat kunnen ze hiertegen eigenlijk zeggen of hoe dit woord zelfs in 't gezicht zien? Hier immers wordt de Messias aangewezen en de Gezalfde wordt niet maar als een mens doch als de heilige der heiligen aangekondigd. Tot zijn komst bestaat Jeruzalem. Daarna houden profeet en gezicht in Israël op. Vroeger werden David, Salomo en Hiskia gezalfd maar toen bestonden ook Jeruzalem en de plaats. En profeten profeteerden: Gad, Asaf, Nathan en na hen Jesaja, Hosea, Amos en anderen. Bovendien werden zij, die gezalfd waren, heilige mensen genoemd en niet: heiligen der heiligen. Maar als ze ons de ballingschap voorhouden en zeggen dat daardoor Jeruzalem niet bestaat- wat moeten ze dan over de prof eten zeggen? Want toen het volk eertijds naar Babel wegging, waren daar Daniël en Jeremia en profeteerden Ezechiël, Haggaï en Zacharia.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 40. ALLEEN NU IN CHRISTUS ZIJN DEZE VOORSPELLINGEN VERVULD
Daarom fabelen de Joden, als ze den nu ingetreden tijd uitstellen. Want wanneer hielden profeet en gezicht in Israël op, behalve toen de heilige der heiligen, Christus verscheen? Want het is een teken en een machtig bewijs der aanwezigheid van het God-Woord, dat Jeruzalem niet meer bestaat, dat geen profeet meer opstaat en dat hun geen gezicht meer geopenbaard wordt. Dat is ook heel natuurlijk. Want toen de aangewezene gekomen was, waartoe waren er toen nog aanwijzers nodig? En toen de waarheid aanwezig was, waartoe was de schaduw toen nog nodig? Daarom immers prof et eerden ze totdat Hij kwam, die de gerechtigheid zelf is en die allen van zonden verlost. Daarom bestond ook Jeruzalem gedurende dien gehelen tijd, opdat ze zich daar door de zinnebeelden zouden voorbereiden op de waarheid. Toen dus nu de heilige der heiligen aanwezig was, werden natuurlijk gezicht en profetie verzegeld en het koninkrijk van Jeruzalem is opgehouden. Gedurende dien gehelen tijd werden bij hen koningen gezalfd, totdat de heilige der heiligen gezalfd werd. Ook Jakob profeteerde, dat het koninkrijk der Joden tot op zijn tijd zou bestaan, zeggende: 'Een heerser uit Juda zal niet ontbreken, noch een leider uit zijn lenden, totdat komt wat voor hem is weggelegd; en Hij is de verwachting der heidenen' (Gen. 49:10). Daarom riep ook de Heiland zelf uit: 'De wet en de profeten hebben tot Johannes toe geprofeteerd' (Mt. 1, 13)[b:Mt. 1, 13]. Als er dan nu bij de Joden een koning of profeet of gezicht is, zo loochenen ze terecht dat de Christus gekomen is. Als er echter noch een koning noch een gezicht is maar van nu af ook alle profetie verzegeld is en de stad en de tempel zijn ingenomen waarom zijn ze dan in zulk een grote goddeloosheid en overtreding, dat ze, hoewel ze zien wat er geschiedt, Christus die dat gedaan heeft, loochenen? Als ze ook zien dat de heidenen de afgoden verlaten en door Christus hun hoop stellen op den God Israëls waarom loochenen ze dan Christus, die naar het vlees uit den wortel van Isai is geboren en van nu af als koning heerst? Als de heidenen nu een anderen God dienden en niet den God van Abraham, Izaak, Jakob en Mozes beleden, dan zouden ze met recht onder dit voorwendsel beweren, dat God niet gekomen is. Maar nu de heidenen dien God vereren, die aan Mozes de wet en aan Abraham de belofte gegeven heeft en wiens woord de Joden hebben versmaad - waarom erkennen ze dan niet, meer nog: waarom zien ze opzettelijk over het hoofd, dat de Heer, die door de Schriften wordt geprofeteerd, voor de wereld is opgegaan en lichamelijk aan haar verschenen is, zoals de Schrift zeide: 'God de Heer is ons verschenen' (Ps. 18, 27)[b:Ps. 18, 27] en ook: 'Hij zond zijn woord uit, en heelde hen' (Ps. 107, 20)[b:Ps. 107, 20] en ook: 'Geen gezant, geen engel, maar de Heer zelf heeft hen gered' (Jes. 65, 9)[b:Jes. 65, 9]?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZij lijden aan het zelf de euvel, als wanneer iemands verstand getroffen is, zodat hij wel de door de zon verlichte aarde ziet, maar de zon die haar verlicht, loochent. Want als de. door hen verwachte komt, wat heeft hij dan nog meer te doen? De heidenen roepen? Maar ze zijn al geroepen. Profeet, koning en gezicht doen ophouden? Ook dat is al geschied. De goddeloosheid der afgoderij bewijzen? Die is al bewezen en veroordeeld. Den dood vernietigen? Hij is al vernietigd. Wat is er dus niet geschied, dat Christus nog doen moet? Wat is er nog over, dat niet is vervuld, zodat de Joden zich nu zouden kunnen verheugen, en ongelovig zouden kunnen blijven? Als dan, zoals wij immers ook zien, noch een koning, noch een prof eet, noch Jeruzalem, noch een offer, noch een gezicht bij hen is, maar wel de gehele aarde van de kennis Gods vervuld is en de heidenen, hun goddeloosheid verlatende, voortaan door het woord van onzen Heer Jezus Christus tot den God van Abraham hun toevlucht nemen; zo moet het ook voor hen, die zich al te onbeschaamd gedragen, duidelijk zijn, dat Christus gekomen is en dat Hij eenvoudig allen met zijn licht heeft verlicht en dat Hij de ware goddelijke leer aangaande zijn Vader heeft onderwezen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOp deze en meer gronden kan men de Joden dus goed uit de goddelijke Schriften weerleggen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 4I. TEGEN DE HEIDENEN. DE MENSWORDING VAN HET WOORD IS NIET ONREDELIJK
Men moet er zich zeer over verwonderen, dat de Grieken lachen om dingen die geen spot verdienen maar zelf in dwaze verblinding hun eigen schande niet zien, die in hun aanbidding van hout en steen ligt. Maar daar ons betoog geen gebrek aan bewijzen heeft, welaan, laat ons ook hen op goede gronden beschaamd maken, vooral op grond van wat wij zelf zien. Want wat is er bij ons dwaas, of wat verdient spot? Zeker dat wij zeggen, dat het Woord in een lichaam verschenen is?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar ook zij zullen erkennen dat deze gebeurtenis niet ongerijmd is, als ze vrienden der waarheid zijn. Als ze geheel ontkennen, dat er een Woord van God is, handelen ze overmoedig, door te spotten met wat ze niet kennen. Maar als ze erkennen, dat er een Woord Gods is en dat Hij de leider van alles is en dat de Vader daarin de wereld geschapen heeft en dat door zijn voorzienigheid alles licht, leven en bestaan ontvangt en dat Hij over alles heerst, zodat Hij uit de werken der voorzienigheid gekend wordt en door Hem de Vader zie dan toe, verzoek ik u, of ze niet zonder het te weten, den spot tegen zichzelf richten. De wijsgeren der Grieken zeggen, dat de wereld een groot lichaam is en ze hebben gelijk. Want wij zien hoe zij met haar onderdelen onder de zinnelijke waarneming valt. Wanneer dan het Woord Gods in de wereld is, die een lichaam is en in alle dingen tot in al hun onderdelen is ingegaanwaarom is het dan wonderlijk of dwaas, als wij zeggen dat Hij in een mens is ingegaan, want als het in het algemeen dwaas is, dat het Woord in een lichaam komt, dan zou het ook dwaas zijn, dat Hij in het al is ingegaan en dat Hij alles door zijn voorzienigheid verlicht en beweegt? Want ook het heelal is een lichaam. Maar als het gepast is, dat Hij in de wereld ingaat en zich in het geheel openbaart, dan past het ook, dat Hij in een menselijk lichaam verschijnt en dat dit door het Woord licht en werking ontvangt. Want ook het menselijk geslacht is een deel van het al. En als het deel ongeschikt is om zijn werktuig te worden ter openbaring van de Godheid, dan zou het allerdwaast zijn als het Woord zich zelfs door middel van heel de wereld zou openbaren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 42. HET IS NIET ONGERIJMD, DAT HET WOORD ZICH IN EEN ONDERDEEL OPENBAART
Het is er mee als met het lichaam, dat door den mens geheel tot werkzaamheid gebracht en verlicht wordt. Als iemand het nu dwaas zou noemen, dat de kracht des mensen zich ook in den teen van den voet bevindt, dan zou hij voor onverstandig gehouden worden, omdat hij wel toegeeft, dat de mens in het geheel zich bevindt en werkt maar niet wil erkennen, dat hij ook in het onderdeel is. Zo zal ook hij die toegeeft en gelooft dat het Woord Gods in alles is en dat het al door Hem wordt verlicht en bewogen, het niet voor ongerijmd houden, dat ook één menselijk lichaam door Hem wordt bewogen en verlicht. Als ze echter menen dat het daarom niet juist is, wanneer wij over de verschijning van den Heiland in een mens spreken, omdat het menselijk geslacht geschapen en uit het niet-zijnde geworden is, let dan op, hoe ze Hem ook uit de schepping uitwerpen. Die is immers ook uit het niet-zijnde door het Woord tot het aanzijn gekomen. Als het niet ongerijmd is, dat het Woord in de wereld is, hoewel deze geschapen is, dan is het dus ook niet ongerijmd, dat Hij in een mens is. Want de denkbeelden, die ze zich over het geheel maken, moeten ze noodzakelijkerwijze ook over het onderdeel koesteren. Want (zoals ik al zeide) ook de mens is een deel van het geheel. Derhalve is het in 't geheel niet ongerijmd, dat het Woord in een mens is en dat alles door Hem en in Hem licht, beweging en leven ontvangt, gelijk ook hun schrijvers zeggen. Want 'in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij' (Hand. 17, 28)[b:Hand. 17, 28].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat zeggen wij verder nog, dat spot verdient, als het Woord den mens in welken Hij zich bevindt, gebruikt als werktuig om er zich door te openbaren? Want als Hij zich niet in hem bevond, had Hij hem ook niet kunnen gebruiken. Maar als we van te voren hebben toegegeven, dat Hij in het geheel en in de onderdelen is, waarom is het dan ongelooflijk als Hij zich ook daarin openbaart, waarin Hij zich bevindt? Hij verbindt zich immers door zijn krachten geheel met elk deel en met alles en mildelijk strekt Hij zijn bestuur over alles uit. Als Hij door de zon, de maan, den hemel, de aarde, de wateren of het vuur had willen spreken en zich en zijn Vader had willen openbaren, dan zou niemand dat ongerijmd van Hem hebben genoemd, daar Hij nu eenmaal alles tezamen houdt en met alles en in elk onderdeel is en zich op onzichtbare wijze toont. Evenzo zou het niet ongerijmd zijn, als Hij, die alles bestuurt en levend maakt en die zich door mensen heeft willen bekend maken, een menselijk lichaam gebruikt als werktuig om de waarheid te openbaren en den Vader te doen kennen. Want ook de mensheid is een deel van het geheel. En evenals de geest, die in heel den mens woont, zich in een deel van het lichaam, namelijk de tong, openbaart en toch niemand zegt, dat daardoor het wezen van den geest een vermindering ondervindt, zo kan het ook niet ongepast voorkomen, als het Woord, dat in alles is, een menselijk werktuig gebruikt. Want, zoals ik al zeide, als het ongepast is om een menselijk werktuig te gebruiken, dan is het ook ongepast dat het Woord in alles is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 43. DIT ONDERDEEL MOEST JUIST DE MENSELIJKE NATUUR ZIJN
Misschien zeggen ze: waarom heeft Hij zich dan niet door andere, schonere delen der schepping geopenbaard en waarom heeft Hij geen schoner werktuig gebruikt, zoals de zon, de maan, de sterren, het vuur of den aether? Waarom alleen den mens? Laten ze dan weten, dat de Heer niet is gekomen om zich te vertonen maar om de lijdenden te genezen en te onderrichten. Het zou immers voor iemand, die zich wilde vertonen, gepast hebben om alleen te verschijnen en de toeschouwers tot verbazing te brengen. Maar voor iemand, die geneest en onderricht, past het om niet alleen maar te komen wonen maar zich ten dienste te stellen van hen die het nodig hebben en zo te verschijnen, dat zij die het nodig hebben, het verdragen kunnen, opdat hij niet, door de behoeften der lijdenden over het hoofd te zien, hen die Hem nodig hebben, in verwarring zou brengen en de openbaring Gods hun niet nutteloos zou worden. De mens nu was het enige schepsel, dat in zijn begrippen aangaande God op een dwaalspoor was gekomen. Natuurlijk, de zon, de maan, de hemel, de sterren, het wateren de aether hebben hun gelid niet verlaten maar daar zij het Woord, hun schepper en koning kennen, blijven ze zoals ze geschapen zijn. Alleen de mensen hebben zich van het goede afgewend. Zij hebben zich, in de plaats van de waarheid, dat ingebeeld wat niet bestond. De eer die aan God toekomt en de kennis aangaande Hem hebben ze aan daemonen en mensen in den vorm van steen toegebracht. Het strookte niet met Gods goedheid om iets zo belangrijks over het hoofd te zien. Maar de mensen hadden Hem ook niet kunnen leren kennen in zijn bestuur en leiding over het heelal. Daarom neemt Hij natuurlijk als zijn werktuig een deel van het heelal, namelijk het menselijk lichaam en verbindt zich daarmee, opdat, daar ze Hern in het heelal niet konden leren kennen, zij dan in een onderdeel niet van Hem onkundig zouden blijven; en daar zij niet konden opzien naar zijn onzichtbare kracht, zij dan uit het hun gelijke tot begrip en beschouwing van zijn wezen konden komen. Want daar ze mensen zijn, zullen ze door het hun verwante lichaam en de goddelijke werken die daardoor geschieden, zijn Vader eerder en nader kunnen leren kennen, wanneer ze tot de slotsom komen dat wat Hij doet, geen menselijke maar Gods werken zijn. Wanneer het volgens hen ongerijmd ware, dat het Woord zich door de werken des lichaams openbaarde, zou het ook ongerijmd zijn dat Hij zich in de werken van het heelal openbaarde. Want evenals Hij, hoewel Hij in de schepping is, aan niets uit de schepping deelneemt maar integendeel alles aan zijn kracht deel heeft; zo ook, hoewel Hij het lichaam als werktuig gebruikte, had Hij aan niets van het lichaam deel maar heiligde Hij integendeel zelf ook het lichaam. Ook Plato immers, die bij de Grieken zo bewonderd wordt, zegt: 'Wanneer de Schepper der wereld haar door stormen geteisterd ziet en in gevaar om in de ruimte der wanordelijkheid te verdwijnen, zet Hij zich aan het roer der ziel om haar te helpen, en herstelt Hij alle ongelukken. N.v.d.v.: Een zeer vrij...N.v.d.v.: Een zeer vrij citaat uit het vijftiende hoofdstuk van Plato's Politicus. Waarom wordt het dan bij ons voor ongelooflijk verklaard, als het Woord zich bij de mensheid heeft gezet, daar ze dwaalde en als mens verschenen is, opdat Hij haar, daar ze door stormen geteisterd wordt, door zijn stuurmanskunst en goedheid redt?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 44. EEN MACHTWOORD ALLEEN HAD DE MENSELIJKE NATUUR NIET KUNNEN REDDEN
Maar misschien zullen ze hier vol schaamte mee instemmen, doch willen zeggen, dat, als God de mensen wilde opvoeden en redden, Hij dat met een wenk alleen had moeten doen, zodat zijn Woord geen lichaam behoef de aan te raken, zoals Hij immers ook vroeger had gedaan, toen Hij uit het niets de dingen schiep. Terecht kan men tegen deze tegenwerping van hen aanvoeren, dat vroeger, toen er nog nergens iets was, alleen een wenk en besluit nodig was om het heelal te maken. Maar toen de mens er was en de noodzaak eiste, niet om het niet zijnde maar om het gewordene te genezen, toen was het consequent, dat de geneesheer en Heiland in het reeds gewordene kwam, om het bestaande te genezen. Daarom is Hij een mens geworden en heeft Hij zich van een menselijk werktuig, namelijk het lichaam, bediend. Immers, als het niet op die wijze had moeten geschieden, hoe had het Woord dan moeten komen, als Hij van een werktuig gebruik wilde maken? Of waar had Hij dat werktuig vandaan moeten halen, behalve uit het reeds gewordene, dat er juist behoefte aan had om door middel van het verwante met zijn Godheid in verbinding te treden? Want het was niet het niet-zijnde, dat behoefte had aan verlossing. Dan zou een bevel alleen voldoende zijn geweest. Maar de reeds geworden mens was aan verderf en ondergang prijs gegeven. Daarom heeft Hij natuurlijk terecht van een menselijk werktuig gebruik gemaakt en breidde het Woord zich over alles uit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVervolgens moet men ook weten, dat het verderf zich niet buiten het lichaam bevond maar er in gekomen was en dat het nodig was, dat in plaats van het verderf, het leven er mee verbonden werd, opdat zoals de dood in het lichaam gekomen was, zo ook het leven er in zou komen. Als dus de dood buiten het lichaam was geweest, dan had ook het leven er buiten moeten zijn geweest. Maar als de dood in het lichaam genesteld was en, door zijn verbinding er mee, over het lichaam heerste, zo was het ook nodig, dat het leven zich in het lichaam nestelde, opdat het lichaam het leven zou aantrekken en het verderf zou afwerpen. Voorts, indien ook het Woord buiten het lichaam en niet er in ware gekomen, dan zou wel de dood op zeer natuurlijke wijze door Hem zijn overwonnen, daar de dood immers machteloos is tegen het leven; maar niettemin zou het verderf dat in het lichaam kwam, daar zijn gebleven. Daarom trok de Heiland natuurlijk een lichaam aan, opdat het lichaam door zijn verbinding met het leven, niet meer als sterfelijk in den dood zou blijven maar, daar het de onsterfelijkheid heeft aangetrokken, voortaan, opgestaan zijnde, onsterfelijk zou voortbestaan. Want nadat het eenmaal het verderf had aangetrokken, zou het niet zijn opgestaan, als het niet het leven had aangetrokken. En ook zou de dood op zichzelf niet tot openbaring zijn gekomen, tenzij in het lichaam. Daarom trok Hij een lichaam aan, opdat Hij den dood in het lichaam zou vinden en verdelgen. Want hoe zou de Heer zich ooit als het Leven hebben kunnen bewijzen, als Hij het sterfelijke niet tot leven had gebracht?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is er mee als met het riet, dat krachtens zijn natuur door vuur wordt verteerd. Als iemand het vuur verhindert bij het riet te komen, dan verbrandt het riet wel niet maar het riet blijft toch geheel riet en blijft argwanend jegens de bedreiging door het vuur. Want van nature is het vuur voor het riet een verterende macht. Maar als men het riet met veel asbest omkleedt, waarvan men immers zegt, dat het tegen het vuur bestand is, dan vreest het riet het vuur niet meer, daar het veilig is door de omkleding met het onbrandbare. Op dezelfde wijze zou men ook bij het lichaam en bij den dood kunnen zeggen: als de dood alleen door een bevel verhinderd was het lichaam te naderen, zou dat niettemin sterfelijk en vergankelijk zijn gebleven, naar den aard der lichamen. Maar opdat dat niet geschieden zou, trok het het onlichamelijke}Woord Gods aan. En zo vreest het den dood en het verderf niet meer, daar het het Leven tot bekleding heeft, en daar het verderf er in vernietigd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 45. ALLEEN DOOR DE MENSWORDING KONDEN WE KENNIS VAN GOD KRIJGEN
Zo nam derhalve het Woord Gods een lichaam aan en Hij maakt gebruik van een menselijk werktuig, opdat Hij het lichaam tot leven zou wekken en opdat Hij evenzo in den mens werkzaam zou zijn, als Hij zich in de schepping door de werken openbaart, en zichzelf overal zou vertonen, zonder iets van zijn goddelijke werking en kennis verstoken te laten. Ik zeg weer het zelf de en herhaal wat al eerder is gezegd: dat de Heiland dit gedaan heeft, opdat Hij, zoals Hij het heelal overal door zijn tegenwoordigheid vervult, zo ook alles met de kennis aangaande Hem zou vervullen; zoals ook de goddelijke Schrift zegt: 'De ganse aarde werd vervuld van de kennis des Heren' (Jes. 1, 9)[b:Jes. 1, 9]. Want hetzij men naar den hemel wil opzien zo ziet men zijn ordening; hetzij men niet naar den hemel, doch slechts naar de mensen kan opzien zo ziet men in de werken zijn macht, waarmee die der mensen niet te vergelijken is en erkent men, dat alleen deze onder de mensen het God-Woord is; hetzij men zich tot de daemonen heeft gewend en in hun ban is geraakt zo ziet men, dat Hij hen verdrijft en oordeelt men, dat Hij hun Heer is; hetzij men is af gedaald tot de natuur der wateren en meent, dat dat God is (zoals de Egyptenaren het water vereren) zo ziet men, dat dat door Hem veranderd is en erkent men, dat de Heer de schepper er van is. Zelfs als men in het dodenrijk zou afdalen en voor de heroën, die daarheen zijn af gedaald, als voor goden zou vrezen zo ziet men toch, hoe zijn opstanding en de overwinning op den dood heeft plaatsgehad en oordeelt men, dat ook onder hen de Christus alleen waarachtig Heer en God is. Want alle delen der schepping heeft de Heer aangeraakt en in alles heeft Hij alle bedrog weggedaan en ontmaskerd, gelijk Paulus zegt: 'De overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij aan het kruis getriomfeerd', opdat niemand meer kon worden bedrogen maar men overal het waarachtige Woord Gods zou vinden. Want zo wordt de mens van alle zijden omsloten en ziet hij de goddelijkheid des Woords overal uitgebreid, namelijk in den hemel, in het dodenrijk, in den mens en op aarde. Nu wordt hij niet meer aangaande God bedrogen maar vereert Hem alleen en leert door Hem op de rechte wijze den Vader kennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOngetwijfeld zullen hiermee ook de Grieken door ons op redelijke gronden beschaamd gemaakt worden. Maar als ze de redeneringen niet voldoende vinden om hen te beschamen, moet het gezegde ook bevestigd worden door de verschijnselen die allen voor ogen hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 46. DE MENSWORDING GODS BETEKENDE HET EINDE VAN HET HEIDENDOM
Begonnen niet juist toen de mensen de verering der af goden na te laten, sinds het waarachtige God-Woord Gods onder de mensen gekomen is? Hielden niet juist toen bij de Grieken en overal de orakels op en werden ze niet juist toen verlaten, toen de Heiland zich op de aarde had geopenbaard? Begon men niet juist toen in te zien, dat degenen die door de dichters als goden en heroën bezongen werden, slechts sterfelijke mensen waren, sinds de Heer het zegeteken op den dood had tot stand gebracht en het lichaam, dat Hij aangenomen had, onsterfelijk had bewaard, door het uit de doden op te wekken? Werden het bedrog en de waanzin der daemonen niet juist toen veracht, toen het Woord, de kracht Gods, hun en aller Heer, terwille van de zwakheid der mensen neerkwam en op aarde verscheen? Kwamen de kunst en de scholen der toverij niet juist toen in minachting, toen de verschijning van het Woord onder de mensen had plaatsgevonden? En heeft in het algemeen de wijsheid der Grieken zich niet juist toen als dwaasheid bewezen, toen de ware Wijsheid Gods zich op aarde openbaarde? Want voordien was heel de wereld en elke plek in den af godendienst verstrikt en hielden de mensen slechts de af goden voor goden. Maar nu laten de mensen over heel de wereld de verering der af goden varen en nemen hun toevlucht tot Christus. Door Hem als God te vereren, leren ze door Hem ook den Vader kennen, van wien ze net wisten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn dit is wel wonderlijk: er zijn talloze verschillende godsdienstvormen en elke plaats heeft zijn eigen af god en de god, dien de bewoners vereren, is niet bij machte om de grens naar de naburige plaats te overschrijden om de bewoners daarvan tot zijn verering over te halen maar hij wordt zelfs ternauwernood in zijn eigen gebied vereerd. Want niemand anders vereerde den god van den nabuur. Ieder hield zich aan zijn eigen afgod en meende, dat deze de Heer van alles was. Alleen Christus wordt bij allen en overal als éen en dezelfde vereerd. En wat de zwakheid der afgoden niet heeft kunnen doen, namelijk de naburige bewoners tot hun dienst overhalen, dat heeft Christus gedaan, die niet alleen de naburen maar eenvoudig heel de wereld heeft overgehaald om éen en denzelfden Heer te vereren en door Hem God zijn Vader.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 47.DE MENSWORDING GODS BETEKENDE HET EINDE VAN HET HEIDENDOM (vervolg)
Vroeger was alles vol van het bedrog der orakels. De orakels in Delphi, Dodona, Boeotié, Lycié, Libye, Egypte en van de Cabiren, en het Pythische orakel brachten de verbeeldingskracht der mensen tot bewondering. N.v.d.v.: De meeste dezer...N.v.d.v.: De meeste dezer orakelplaatsen bevonden zich in het door de Grieken bewoonde gebied. Voor Athanasius waren hun namen nog slechts verre klanken, wat daaruit blijkt, dat hij niet weet dat het Pythische orakel en dat te Delphi éen en hetzelfde is. Het is niet geheel zeker, waaraan wij bij het orakel der Cabiren (lett.: 'in Cabiren') moeten denken. Maar nu, sinds Christus overal verkondigd wordt, is ook hun waanzin opgehouden en is daarin voortaan geen waarzegger meer. Vroeger begoochelden de daemonen de mensen, door op bronnen, rivieren, houten of stenen voorwerpen beslag te leggen en zo brachten ze de onverstandigen door hun toverkunsten van de wijs. Maar nu de goddelijke verschijning des Woords heeft plaatsgehad, is hun zinsbegoocheling voorbij. Want de mens die alleen maar het kruisteken gebruikt, verjaagt hun bedriegerijen. Vroeger hielden de mensen den door de dichters vermelden Zeus, Kronos, Apollo en de heroën voor goden en vereerden ze in hun dwaling. Maar zodra de Heiland onder de mensen verschenen was, bleken genen, van hun goddelijkheid ontdaan, slechts sterfelijke mensen; en alleen Christus werd onder de mensen als God openbaar, als het waarachtige God-Woord. En wat moet men zeggen over de door hen bewonderde toverkunst? Voor het Woord op aarde kwam wonen, oefende deze kunst een krachtige werking bij de Egyptenaren, Chaldeeën en Indiërs en bracht de toeschouwers in verbazing. Maar door de komst der waarheid en de verschijning des Woords werd ook deze geheel ontmaskerd en volkomen vernietigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat de griekse wijsheid en de grote woorden der philosophen betreft: ik meen, dat niemand onze redenering nodig heeft, daar het wonder voor aller ogen staat, dat terwijl de griekse wijzen zoveel geschreven hebben en zelfs niet in staat waren enkelen uit de naburige streken van de onsterfelijkheid en het leven der deugd te overtuigen, alleen Christus door eenvoudige woorden en door mensen, die niet met rede begaafd waren, over gans de wereld hele gemeenten heeft overgehaald om den dood te verachten, het onsterfelijke te betrachten, het tijdelijke voorbij te zien en naar het eeuwige op te zien, den aardsen roem niets te achten en slechts naar den hemelse te streven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 4. CHRISTUS IS GEEN MENS, GEEN TOVENAAR, GEEN DAEMON
Dit door ons gezegde beperkt zich niet tot woorden maar de waarheid ervan wordt ook door de ervaring zelf betuigd. Laat ieder die wil, nader treden en het bewijs der deugdzaamheid beschouwen in de maagden van Christus en in de jongelingen, die een kuis en ingetogen leven leiden en de betrouwbaarheid der onsterfelijkheid in het grote koor zijner bloedgetuigen. Laat ieder, die de proef op het gezegde wil nemen, temidden van de begoocheling der daemonen, het bedrog der orakels en de kunsten der toverij, het teken gebruiken van het door hen bespotte kruis en slechts den naam van Christus noemen; dan zal men zien, hoe daarvoor de daemonen op de vlucht slaan, de orakels ophouden en alle magie en toverij verijdeld is. Wie is dan die Christus en hoe machtig is Hij, die door het noemen van zijn naam en door zijn tegenwoordigheid alles overal in de schaduw gesteld en verijdeld heeft, die alleen over allen de overhand heeft en heel de wereld met de leer aangaande Hem heeft vervuld?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaLaten dat de Grieken eens zeggen, die zo hard lachen zonder zich te schamen! Als Hij een mens is, hoe heeft dan éen mens de macht van al hun goden kunnen overtreffen en door zijn kracht kunnen bewijzen, dat genen niets zijn? Als ze Hem een tovenaar noemen, hoe is het dan mogelijk, dat door een tovenaar heel de toverij wordt vernietigd en niet integendeel wordt bevestigd? Als Hij nu bepaalde tovenaars had overwonnen of slechts éen had bedwongen, dan zouden ze terecht hebben gedacht, dat Hij door een machtiger kunst die der anderen had overtroffen. Maar nu zijn kruis de overwinning heeft behaald op eenvoudig elke toverij en zelfs op haar naam, nu is het duidelijk, dat de Heiland geen tovenaar is, daar ook de daemonen, die door de andere tovenaars aangeroepen worden, voor Hem als voor hun Heer op de vlucht slaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaLaten de Grieken, die alleen in het spotten ijver betonen, eens zeggen, wie Hij dan is. Misschien zeggen ze, dat Hij ook een daemon geweest is en daarom macht bezat. Als ze dit zo stellig beweren, halen ze zich spot op den hals, daar ze dan weer door de voorgaande bewijsvoeringen kunnen worden beschaamd. Want hoe kan Hij een daemon zijn, die de daemonen verdrijft? Als Hij wel eens daemonen verdreven had, zou men terecht denken, dat Hij door den overste der daemonen macht bezat over de mindere, zoals ook de Joden tot Hem zeiden, toen ze Hem wilden beschimpen. Maar als door het noemen van zijn naam heel de daemonen-waanzin weggaat en verjaagd wordt, dan is het duidelijk, dat ze ook op dit punt dwalen en dat Christus onze Heer en Heiland, geen daemonische macht is, zoals ze menen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDerhalve, als de Heiland niet gewoon maar een mens is, noch een tovenaar, noch een daemon maar juist door zijn Godheid de inbeeldingen der dichters, de begoocheling der daemonen en de wijsheid der Grieken teniet heeft gemaakt en in de schaduw heeft gesteld; zo is het duidelijk en zal het door allen erkend worden, dat deze waarlijk Gods Zoon is, het Woord, de Wijsheid en de Kracht des Vaders. Daarom zijn zijn werken ook niet menselijk maar bovenmenselijk. Ze worden waarlijk als goddelijke werken gekend, zowel uit de verschijnselen zelf als uit de vergelijking met de mensen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 49. DE WONDEREN BEWIJZEN, DAT CHRISTUS VEEL MEER IS DAN DE HEIDENSE GODEN
Welk mens heeft zich immers ooit het lichaam uit een maagd alleen bereid? Of welk mens heeft ooit zulke ziekten genezen, als de Heer van allen heeft gedaan? Wie heeft gegeven, wat van de geboorte af ontbrak en heeft een blindgeborene het gezicht gegeven? Asklepios werd bij hen tot god verheven, omdat hij de geneeskunst had uitgeoefend en kruiden tegen de lichaamskwalen had uitgevonden; hoewel hij die niet zelf uit de aarde maakte maar die ontdekte door zijn kennis der natuur. Wat is dat in vergelijking met het werk des Heilands, die geen wond genas maar dat maakte, wat bij de geboorte had ontbroken en die het lichaam herstelde? Herakles wordt bij de Grieken als God aanbeden, omdat hij tegen gelijke mensen streed en dieren met list doodde. Wat is dat in vergelijking met de werken des Woords, die ziekten, daemonen en zelfs den dood van de mensen wegdreef? Dionysos wordt bij hen vereerd, omdat hij de mensen in den drank heeft onderricht. Maar Hij die waarlijk de Heiland is en de Heer van alles, wordt door hen bespot, hoewel Hij de matigheid heeft onderwezen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar laat dat zo zijn. Wat hebben ze naast de andere wonderen van zijn Godheid te stellen? Bij den dood van welk mens werd de zon verduisterd en de aarde bewogen? Tot nu toe sterven de mensen en ook voor dien tijd stierven ze; wanneer is zulk een wonder bij hen geschied? Of (om zijn werken in het lichaam terzijde te laten) laat mij herinneren aan de werken na de opstanding van zijn lichaam. De leer van welk mens verkreeg ooit als éen en dezelfde van het ene einde der aarde tot aan het andere overal gezag, zodat zijn verering zich over heel de aarde verbreidde? Of waarom, als Christus een mens is en niet het God-Woord volgens hen, verhinderen hun goden dan niet, dat zijn verering doordringt in het zelf de land waar zij zijn? Integendeel, het Woord doet, als Hij komt, door zijn leer hun verering ophouden en maakt hun schonen schijn te schande.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 50. CHRISTUS HAD VEEL GROTER INVLOED DAN DE HEIDENSE WIJZEN
Vóor Christus zijn er op aarde veel koningen en heersers geweest en er wordt verteld, dat er bij de Chaldeeën, de Egyptenaren en de Indiërs vele wijzen en tovenaars waren. Wie van hen heeft ooit, ik zeg niet eens na zijn dood maar ook nog tijdens zijn leven, zulk een groten invloed geoefend, dat hij de gehele aarde met zijn leer vervulde en zulk een grote menigte van de verering der af goden afbracht, als onze Heiland van de afgoden tot zich bekeerde? De wijsgeren der Grieken hebben veel geschreven met overtuigingskracht en woordkunst. Maar hebben ze iets zo groots getoond als het kruis van Christus doet? Hun wijsheden hadden overtuigingskracht, zolang ze leef den. Maar ook datgene, waarin ze tijdens hun leven invloedrijk schenen te zijn, was aan onderlinge bestrijding onderhevig, daar ze vol waren van wedijver tegen elkander. Maar, wat allervreemdst is, het Woord Gods heeft door zijn onderricht in armelijker woorden, de zeer geleerden in de schaduw gesteld en hun leringen teniet gemaakt, daar Hij allen tot zich trok en zijn gemeenten vol deed worden. En, wat wel wonderlijk is, door als een mens in den dood neder te dalen, heeft Hij de grote woorden der wijzen over de afgoden teniet gemaakt. Want wiens dood heeft ooit de daemonen verdreven? Of wiens dood hebben de daemonen ooit gevreesd, gelijk dien van Christus? Want waar de naam van den Heiland genoemd wordt, daar wordt elke daemon verdreven. Wie heeft de hartstochten der mensen zo geheel weggenomen, dat de ontuchtigen ingetogen werden, dat de moordenaars niet meer naar het zwaard grijpen, dat zij die door lafheid bevangen zijn, manmoedig worden? En in 't algemeen, wie heeft de barbaren en de heidenen overal bewogen om den waanzin af te leggen en den vrede te betrachten, behalve het geloof in Christus en het teken des kruises? Wie anders heeft de mensen zo van de onsterfelijkheid overtuigd, als het kruis van Christus en de opstanding van zijn lichaam? Want hoewel de Grieken in alle opzichten gelogen hebben, konden ze toch geen opstanding van hun af goden verzinnen, daar ze zelfs niet overwogen, of het in het algemeen mogelijk was, dat het lichaam na den dood weer bestond. Op dit punt kan men ze het meest geloven, omdat ze, door zo te redeneren, de zwakheid hunner afgoderij hebben erkend en de macht van Christus hebben toegegeven, opdat Hij ook hierdoor bij allen als Gods Zoon openbaar zou worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 51. ALLEEN CHRISTUS HEEFT ONDER DE VOLKEREN VREDE GEBRACHT
Welk mens heeft na zijn dood, of anders tijdens zijn leven, de maagdelijkheid onderricht en aangetoond, dat deze deugd onder de mensen niet onmogelijk was? Maar Christus, onze Heiland en aller Koning, heeft met zijn onderricht daaromtrent, zulk een macht uitgeoefend, dat zelfs kinderen die voor de wet den leeftijd nog niet hebben bereikt, meer beloven dan wat de wet vraagt, namelijk de maagdelijkheid. Welk mens heeft ooit zover kunnen doordringen, naar de Skythen, de Aethiopiérs, de Perzen, de Armeniërs, de Gothen, of tot hen van wie men zegt, dat ze aan de overzijde van den Oceaan wonen, of tot hen die nog verder dan Hyrkanié leven, of maar tot de EgyP tenaren en Chaldeeën kunnen komen, die zich op toverij toeleggen, bovenmatig bijgelovig zijn en wild van zeden, en heeft kunnen prediken over deugd en ingetogenheid en tegen den afgodendienst; - wie heeft dat gekund gelijk aller Heer, de kracht Gods, onze Heer Jezus Christus? Hij verkondigde niet alleen door zijn eigen discipelen, maar Hij overreedde hen ook in hun hart om de wildheid hunner zeden opzij te zetten, de goden der vaderen niet meer te vereren maar Hem te erkennen en door Hem den Vader te vereren. Voordien, toen de Grieken en barbaren de afgoden dienden, voerden ze onderling oorlog en waren wreed jegens hun eigen verwanten. Want men kon in het geheel het land niet doorreizen noch de zee oversteken, zonder zijn hand met een zwaard te wapenen, wegens den onderlingen onverzoenlijken strijd. Want heel hun leefwijze geschiedde met wapens. Als stok diende hun een zwaard, hun hulp en steun in alle gevallen. Hoewel ze de afgoden dienden, zoals ik al zeide, en aan de daemonen offers brachten, toch konden zij, die zich op zulke dingen toelegden, door de verering der af goden in geen enkel opzicht verbeterd worden. Maar toen ze tot de leer van Christus waren overgegaan, werden ze - wonderlijk genoeg- als het ware in het hart getroffen; ze deden toen afstand van het wrede moorden en legden zich niet langer op den oorlog toe. Voortaan verkeert alles bij hen in vrede en koesteren ze vriendschappelijke gedachten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 52. CHRISTUS STELT IN PLAATS VAN DEN ONDERLINGEN OORLOG, DEN STRIJD TEGEN DE DAEMONEN
Wie heeft dat dus gedaan? Wie heeft hen, die in onderlingen haat leef den, tot vrede verbonden? Wie anders dan de geliefde Zoon des Vaders, aller Heiland Jezus Christus, die in zijn liefde alles voor onze verlossing op zich nam? Want ook reeds te voren was geprofeteerd van den vrede waarin Hij heersen zou, daar de Schrift zegt: 'Zij zullen hun zwaarden slaan tot ploegijzers, en hun spiesen tot sikkelen, het ene volk zal tegen het andere geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren' (Jes. 2:4). Zo iets is niet ongelooflijk, waar ook nu de barbaren met hun aangeboren woeste gewoonten, zolang ze nog aan hun af goden offeren, tegen elkaar razen en geen uur zonder zwaarden kunnen blijven; maar wanneer ze de leer van Christus horen, wenden ze zich terstond tot den landbouw, in plaats van tot oorlogen en in plaats van hun handen met zwaarden te wapenen, strekken ze die uit om te bidden. En in het algemeen, in plaats van tegen elkander te strijden, wapenen ze zich voortaan tegen den duivel en de daemonen, die ze door ingetogenheid en zieledeugd ten onder brengen. Dit is een bewijs van de goddelijkheid des Heilands. Want wat de mensen van de afgoden niet hebben kunnen leren, dat hebben ze van Hem geleerd. Dat is geen gering bewijs van de zwakheid en nietigheid der daemonen en afgoden. Want daar de daemonen hun eigen zwakheid kenden, daarom hebben ze vroeger de mensen aangezet om tegen elkander te strijden, opdat ze niet met den onderlingen twist zouden ophouden en zich tot den strijd tegen de daemonen zouden keren. De volgelingen van Christus, die niet tegen elkander strijden, stellen zich voorwaar door hun zeden en hun deugdzame handelingen tegen de daemonen te weer; ze verjagen hen en hun leidsman, den Duivel, slaan ze neer, zodat ze in hun jeugd ingetogen zijn, in verzoekingen standhouden, in moeiten het uithouden, beschimpingen verdragen, berovingen verachten; en wat wel wonderlijk is: ook den dood verachten ze en ze worden bloedgetuigen van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 53. CHRISTUS ALLEEN HEEFT ZOVELEN OVERWONNEN
En om nog éen zeer wonderlijk bewijs te noemen van de goddelijkheid des Heilands: welk mens, hetzij tovenaar, hetzij heerser, hetzij koning, heeft ooit alleen tegen zovelen kunnen strijden en het kunnen opnemen tegen heel de afgoderij en heel het leger der daemonen, tegen alle toverij en alle wijsheid der Grieken, die zulk een groten invloed hadden en nog bloeiden en allen in verbazing brachten? Welk mens heeft met éen beslissenden slag allen kunnen weerstaan, zoals onze Heer, het waarachtige Woord Gods, die op onzichtbare wijze ieder van dwaling overtuigt en alleen aan alle mensen alles ontneemt, zodat de aanbidders der af goden ze voortaan met voeten treden en zij die om hun toverkunsten bewonderd werden, de boeken verbranden en de wijzen aan de uitlegging der Evangeliën boven alles de voorkeur geven? Want die ze aanbaden, die verlaten ze; maar den gekruisigde, dien ze bespotten, dien aanbidden ze als den Christus en belijden ze als God. Die bij hen goden heetten, worden door het kruisteken verjaagd. Maar de gekruisigde Heiland wordt in heel de wereld als God en Gods Zoon verkondigd. Zij, die bij de Grieken als goden worden aanbeden, worden als schandelijk door hen versmaad. Maar die de leer van Christus aanvaarden, hebben een ingetogener leven dan genen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAls deze en dergelijke dingen menselijk zijn, laat ieder die wil zulke dingen dan ook eens aantonen van de vroegere mensen en ons daardoor overtuigen. Maar als dat geen werken van mensen, doch werken Gods blijken te zijn, waarom zijn de ongelovigen dan zo goddeloos, dat zij den Heer, die dat bewerkt heeft, niet erkennen? Want zij staan er net zo voor, als iemand die uit de werken der schepping God hun schepper niet erkent. Want als ze zijn Godheid hadden erkend uit zijn kracht die in alles werkt, zouden ze ook hebben ingezien, dat Christus' werken in het lichaam niet die van een mens zijn maar van aller Heiland, het God-Woord. Als ze dat hadden erkend, zoals Paulus zeide, 'zouden zij den Heer der heerlijkheid niet hebben gekruisigd' (1 Kor. 2, 8)[b:1 Kor. 2, 8].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 54. NIEMAND KAN HEEL HET WERK VAN CHRISTUS OMVATTEN
Zoals iemand, als hij God wil zien, die van nature onzichtbaar is en in het geheel niet gezien wordt, uit zijn werken leert kennen en begrijpen; zo moet hij, die Christus met zijn geest niet ziet, Hem uit zijn lichamelijke werken begrijpen en toetsen, of die menselijk dan wel goddelijk zijn. En als ze dan menselijk zijn, laat hij er dan over spotten. Maar als ze niet menselijk, doch goddelijk zijn, laat hij het dan erkennen en niet lachen om dingen, waarmee niet te spotten valt. Laat hij zich veeleer verwonderen, dat het goddelijke ons door middel van zo iets eenvoudigs is geopenbaard, dat door den dood de onsterfelijkheid tot allen gekomen is, dat door de menswording des Woords de voorzienigheid over alles en de leider en schepper ervan, het Woord Gods zelf, is bekend geworden. Want Hij is mens geworden, opdat wij zouden worden vergoddelijkt. Hij heeft zich door een lichaam geopenbaard, opdat wij kennis zouden verkrijgen van den onzichtbaren Vader. Hij heeft den smaad der mensen verdragen, opdat wij de onsterfelijkheid zouden beërven. Want Hij zelf werd in genen dele geschaad, daar Hij, die zelf het Woord en God is, aan geen smarten en verderf onderhevig is. Maar de lijdende mensen om wier wil Hij dat verdroeg, bewaarde en redde Hij in zijn eigen smarteloosheid. En in het algemeen zijn de daden des Heilands, die door zijn menswording hebben plaatsgehad, van zulk een aard en grootte, dat wie ze zou willen verhalen, gelijken zou op hen, die naar het wijde zeevlak kijken en zijn golven willen tellen. Want zoals men met zijn ogen alle golven niet omvatten kan, wijl bij het pogen de aanrollende golven aan de waarneming ontgaan, zo is het voor hem, die al Christus' daden in het lichaam wil omvatten, onmogelijk om alle ook maar met de gedachte op te nemen, daar die, welke aan zijn waarneming ontgaan, meer zijn dan die hij meent te hebben begrepen. Het is dus beter, er niet op uit te zijn om alles te bespreken, daar niemand zelfs een deel kan uitspreken. Beter is het om nog éen punt te behandelen en aan u over te laten om het geheel te bewonderen. Want alles verdient gelijkelijk de bewondering; en waar men ook heen ziet, daar wordt men overweldigd door het zien van de goddelijkheid des Woords.
Referenties naar deze alinea: 6
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Dominus Iesus ->=geentekst=
H. Athanasius van Alexandrië ->=geentekst=
De geboorte van de Heer: Mysterie van vreugde en licht ->=geentekst=
In Unitate Fidei ->=geentekst=
Nicaea roept Christenen op tot eenheid in het licht van geweld en conflicten ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 55. MET CHRISTUS' VERSCHIJNING KWAM HET HEIDENDOM IN VERVAL
Het is dus van belang, dat ge, na wat reeds gezegd is, dit inziet en als hoofdzaak van het reeds gezegde beschouwt en u daarover zeer verbaast: dat, toen de Heiland gekomen was, de af godendienst niet meer toenam en dat die er was, vermindert en langzamerhand ophoudt. Ook de wijsheid der Grieken maakt geen vorderingen meer en die er is verdwijnt sindsdien. En de daemonen bedriegen niet meer met begoochelingen, orakels en toverijen, maar worden, als ze het slechts wagen en trachten, door het teken des kruises beschaamd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOm kort te gaan: let er op, hoe de leer van den Heiland overal toeneemt. Alle af godendienst en alles wat het christelijk geloof tegenstaat, vermindert, verzwakt en geraakt in verval. Als ge dat ziet, aanbidt dan den Heiland, die boven alles verheven is, het machtige God-Woord. En verwerpt wat onder zijn invloed vermindert en verdwijnt. Want zoals, wanneer de zon er is, de duisternis geen macht meer heeft maar ook als er nog iets van is overgebleven, dit verdreven wordt; zo heeft, nu de goddelijke verschijning van het God-Woord gekomen is, de duisternis der afgoden geen macht meer maar alle delen der wereld worden overal door zijn leer verlicht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is er mee als met iemand, die koning is en nergens verschijnt maar binnen in zijn paleis blijft. Dikwijls maken opstandelingen dan misbruik van zijn afwezigheid en roepen zichzelf uit. Elk, die den schijn aanneemt, dat hij koning is, leidt de argelozen om den tuin. Zo worden de mensen door den naam op een dwaalspoor gebracht, daar ze horen, dat er een koning is en hem niet zien, omdat ze in het geheel niet binnen het paleis kunnen komen. Maar wanneer de echte koning naar buiten treedt en zich vertoont, dan worden door zijn aanwezigheid de opstandige bedriegers ontmaskerd en de mensen, die den waren koning zien, laten hen, die hen voordien misleidden, in den steek. Zo bedrogen vroeger ook de daemonen de mensen, daar ze Gods eer aan zichzelf verleenden. Maar toen het Woord Gods in het lichaam verschenen was en ons zijn Vader had geopenbaard, toen verdween het bedrog der daemonen en het hield op. En de mensen lieten, toen ze het waarachtige God-Woord des Vaders zagen, de afgoden in den steek en erkenden voortaan den waarachtigen God. Dit is een bewijs, dat de Christus het God-Woord en de Kracht Gods is. Want daar de mensen bedenksels ophouden en het woord van Christus blijft, is het voor allen duidelijk, dat wat ophoudt tijdelijk is maar dat Hij, die blijft, God en Gods waarachtige Zoon, het eniggeboren Woord is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 56. DE WEDERKOMST VAN CHRISTUS
Dit weinige zij u, o Christuslievend mens, door ons opgedragen, als eerste beginselen ter kenschetsing van het geloof in Christus en van zijn goddelijke verschijning bij ons. Als gij hierin aanleiding vindt om de woorden der Schriften te gaan lezen en gij uw aandacht daar zuiver op richt, dan zult gij daaruit volkomener en duidelijker de nauwkeurigheid van het gezegde erkennen. Want die Schriften zijn door mannen, die van God geleerd waren, gesproken en geschreven. En wij die dat hebben geleerd van de door God bezielde leraars, die de Schriften lazen en die ook getuigen van Christus' Godheid waren, geven er ook uw leergierigheid deel aan. Gij zult ook zijn tweede heerlijke en waarlijk goddelijke verschijning bij ons leren kennen, als Hij niet meer met eenvoudigheid komt maar in zijn heerlijkheid; niet meer met nederigheid maar in zijn grootheid; niet meer om te lijden maar om van dan af de vrucht van zijn kruis aan allen te geven, namelijk de opstanding en de onsterfelijkheid; dan wordt Hij niet meer geoordeeld maar oordeelt Hij allen, naar dat ieder in het lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad; dan is voor de goeden het koninkrijk der hemelen weggelegd en voor de kwaaddoeners het eeuwige vuur en de buitenste duisternis. Want zo zegt ook de Heer zelf: 'Ik zeg ulieden, van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der Kracht en komende op de wolken des hemels, in de heerlijkheid des Vaders' (Mt. 26, 64)[b:Mt. 26, 64]. Daarom is er ook een woord van den Heiland, dat ons voorbereidt op dien dag en zegt: 'Weest bereid en waakt, want in de ure waarin gij het niet weet, komt Hij' (Mt. 24, 42)[b:Mt. 24, 42]. Want volgens den zaligen Paulus: 'Wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, naar dat hij door het lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad' (2 Kor. 5, 10)[b:2 Kor. 5, 10].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 57. ALLEEN DE REINEN VAN HART KUNNEN DE GODDELIJKE SCHRIFTEN VERSTAAN
Maar om de Schriften te onderzoeken en een waarachtige kennis te bekomen, is een goed leven, een reine ziel en christelijke deugd nodig, opdat de geest, daarin wandelende, bereiken en verkrijgen kan, waarheen hij zich uitstrekt, in zoverre de kennis van het God-Woord voor de menselijke natuur bereikbaar is. Want zonder een rein hart en zonder navolging van het leven der heiligen, kan niemand de woorden der heiligen bevatten. Het is er mee als met iemand, die het zonlicht wil zien en daarom natuurlijk eerst zijn oog afwist en glanzend maakt en zich zo reinigt, dat hij bijkans aan het begeerde voorwerp gelijk wordt, opdat het oog, nu het zelf licht geworden is, het zonlicht zien kan. Of als met iemand die een stad of landstreek zien wil en daarom natuurlijk naar de plaats toegaat om die te zien. Zo moet hij die het hart der godgeleerde mannen wil verstaan, zijn ziel door zijn levenswandel van te voren reinigen en afwassen en tot die heiligen komen door in de daden aan hen gelijk te worden. Dan, als hij in den levenswandel hun gezel geworden is, leert hij verstaan, wat hun door God is geopenbaard. En dan zal hij voortaan, daar hij met hen verbonden is, het gevaar der zondaren en hun vuur in den dag des oordeels ontvlieden, en datgene ontvangen wat voor de heiligen is weggelegd in het koninkrijk der hemelen, 'hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart des mensen niet is opgeklommen' (1 Kor. 2, 9)[b:1 Kor. 2, 9], hetgeen bereid is voor hen die deugdzaam leven, die den God en Vader liefhebben in Christus Jezus onzen Heer, door wien en met wien aan den Vader met den Zoon in den Heiligen Geest, zij eer en kracht en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaReferenties naar dit document: 5
Open uitgebreid overzichthttps://rkdocumenten.be/toondocument/948-de-incarnatione-verbi-nl